‘Zijn we bijna in Lampedusa?’
Foto: YD

Enkele dagen nadat het Belgische fregat Louise-Marie 118 migranten op zee heeft gered, blijkt dat sommige mensen er toch erger aan toe waren dan gedacht. En komen de verhalen, herinneringen en emoties bij de bemanning los.

Donderdag redde de Louise-Marie voor de Libische kust 118 migranten. De reddingsactie verliep vlekkeloos. De meeste mensen waren nog in tamelijk goede conditie, wat doet vermoeden dat ze hoogstens een dag op zee hebben gedobberd. Ze hebben geluk gehad.

Maar niets is wat het lijkt. Zeker niet van op de brug.

De boreling – amper vijf dagen oud – was blijkbaar een prematuurtje, oververhit en uitgedroogd toen hij aan boord kwam. Hij deed zijn oogjes niet meer open. De ‘doc’ kon de baby niet aan het infuus leggen. Ze kon hem alleen wat afkoelen in de schaduw, in een propere handdoek wikkelen en een papflesje geven. Het was improviseren en een kwestie van de baby in leven te houden. Ze wist niet of het jongetje Italië levend zou bereiken. Nadien vernam ze gelukkig van wel. Als het bootje een dag langer op zee had gedobberd, zou hij mogelijk gestorven zijn. De bemanning van de Louise-Marie speculeert al over de naam die de jongen zou moeten krijgen. Op nummer één: Louis.

Een man had een gezwollen voet en koorts door een slangenbeet die hij vlak voor zijn vertrek had opgelopen. Het gif zat al in zijn bloed, maar de Louise-Marie had geen antigif aan boord. Ook voor hem was het hopen op beterschap.

Een andere man was zodanig verzwakt dat hij op een brancard aan boord moest worden gehesen. Ook een vrouw was er zeer slecht aan toe. Zij konden allebei wel aan het infuus worden gelegd en kwamen na een tijdje weer bij hun positieven. ‘Maar ze waren al een tijdje volledig weg van de wereld’, zegt de doc. ‘Ze reageerden op geen enkele prikkel meer, hun ogen draaiden weg. Toen we probeerden om de man te laten drinken, liep het water door zijn neus. Hij kon niet meer slikken. Bij hem was het echt een kwestie van uren.’ Hij moet al erg verzwakt zijn geweest toen hij in het bootje is gestapt, denkt de doc.

Derdegraadsbrandwonden

Van op de brug zag ik veel jonge gezichten. Tieners van hooguit 14 of 16 jaar oud. ‘Is het je niet opgevallen hoe ze liepen, met hun broek naar beneden getrokken’, vraagt de doc. ‘Dat was geen modegril. Ze zaten in het midden van het bootje in de benzine die tijdens het bijtanken moet zijn gemorst. Ze hebben daardoor derdegraadsbrandwonden op hun achterwerk.’

De militairen hadden op het voor- en helidek doeken gelegd en die natgespoten, maar sommigen konden niet meer neerzitten van de pijn en de hitte. Aan de grond op het helidek was het meer dan zestig graden. ‘Mijn ambulancier heeft één jongen kunnen insmeren en intapen. Maar er was geen tijd meer om de anderen te verzorgen. Ze moesten al aan het andere Europese schip worden overgedragen.’ De doc moest het medische team van dat schip briefen.

Ze zucht even. ‘Ik heb als student veel gereisd in Afrika. Ik heb er ellende gezien. Ik ben daarop voorbereid. Wat me nog het meest dwars zit, is dat we aan boord niet alles kunnen doen om in deze omstandigheden iedereen de zorg te geven die nodig is. Ja, de migranten waren er al bij al nog goed aan toe, maar je zal maar een van die jongens zijn met derdegraadsbrandwonden en waarschijnlijk voor het leven verminkt zijn.’

Nu de reddingsactie voorbij is, komen bij de bemanningsleden de verhalen, herinneringen en emoties naar boven. Gisteren (zaterdag, red.) organiseerde padre Geert een ‘kringgesprek’. Wie het wilde, kon daar zijn hart luchten. Veel wil hij er niet over kwijt. ‘Ik heb de mensen vertrouwelijkheid beloofd. Wat in groep wordt gezegd, blijft in groep.’

Wat op de Middellandse Zee gebeurt, laat geen enkele militair onberoerd, welke politieke of maatschappelijke overtuiging hij of zij ook heeft. Sommigen boksen hun woede weg. Ze zijn best kwaad. Op zo veel ellende in de wereld. Op de onverschillige reacties uit België ook. Dat ze de migranten beter zouden laten verdrinken. Dat het leger niet voor taxi moet spelen. Enzovoort.

Niet dat de militairen op complimenten uit België zitten te wachten, ook niet van politici. Daar doen ze het niet voor. Maar het steekt wel. Op het H-dek van de Louise-Marie hangt al twee weken een brief van de Minister van Defensie met felicitaties voor de militairen die in het Centraal Station van Brussel een aanslag hebben verijdeld. De reddingsactie van de Louise-Marie was voor geen enkel regeringslid niet eens een tweet waardig.

Geen flauw benul

‘Mensen zijn toch mensen, waar je ze ook redt’, merkt een bemanningslid op. ‘Als militairen drenkelingen in de Maas zouden redden, zou iedereen het erover hebben.’ Maar niemand weet wat wij hier doen. Voor sommige politici komt het beter uit om erover te zwijgen, denk ik.’

‘Als je dit ziet, kan je niet onverschillig blijven’, zegt wachtloper Jonas. ‘Deze mensen zijn al maanden en jaren onderweg. Ze hebben geen andere keus dan uit Libië te vertrekken, want daar moeten ze als slaven werken. Smokkelaars maken hen wijs dat het maar vier uurtjes varen is voor ze Lampedusa bereiken en dat ze genoeg hebben aan twee bidons brandstof en een flesje water.’ Hij schudt het hoofd. ‘Het is crimineel.’

Steve, die donderdag tijdens de ‘drenkelingenrol’ een reddingssloep bemande en de migranten in kleine groepjes aan boord bracht, moet vooral terugdenken aan de reddingsoperatie van eind vorig jaar. In november moest de Louise-Marie op één dag twee bootjes ter hulp snellen. ‘Toen waren de mensen er veel erger aan toe. De zee was ruwer, ze waren al langer onderweg en stonden tot aan hun knieën in het water, de urine en uitwerpselen. Het eerste wat ze me vroegen, was of ze Lampedusa bijna hadden bereikt. Ze hebben geen flauw benul.’

‘Nu moesten we de mensen snel overdragen aan een ander schip waardoor er geen tijd was om hen beter te leren kennen’, zegt Shanni. Hij moest in beschermingspak het lege rubberbootje doorzoeken en stond daarna tijdens de ‘verzorgingsrol’ op het helidek. ‘Vorig jaar zaten ze twee, drie dagen op het dek. Dan heb je tijd om met die mensen te praten. En komen de verhalen. Zoals van het groepje Bangladeshi. Ze zaten met dertig in een bootje. Hun brandstof was op en zij vertelden dat ze een voor een in het water waren gesprongen om het bootje te duwen. Ze geloofden dat ze zo Europa wel zouden bereiken. Hoe lang moeten die mensen al onderweg zijn geweest, helemaal vanuit Bangladesh?’

Nadat begin deze week nog duizenden mensen voor de Libische kust moesten worden gered, is het sinds vrijdag redelijk kalm. Door de wind wagen minder mensen de oversteek. Vrijdag waren in totaal maar twee reddingsacties nodig – allebei door ngo’s, zaterdag zelfs geen. Niet dat de smokkelaars met hun klanten begaan zijn. Te veel doden is gewoon te slecht voor hun business.

Zodra het weer mogelijk is, begint de exodus weer.