Dewael: ‘Gewoon overal geld bijsteken volstaat niet’
Foto: BELGA

De politie en veiligheidsdiensten moeten beter samenwerken om nieuwe aanslagen te voorkomen. Dat zegt Patrick Dewael, de voorzitter van de onderzoekscommissie naar de aanslagen van 22 maart. Maar gewoon overal geld bijsteken zal de problemen ook niet oplossen, zegt hij.

Het ontbreken van een echte samenwerkings- en veiligheidscultuur in ons land - en de bijbehorende onderfinanciering van diensten zoals de Staatsveiligheid - heeft volgens Dewael belangrijke gevolgen gehad op het terrein.

‘Als je de machine niet smeert, kan je ook niet verwachten dat je een goed draaiende motor hebt’, stelt Dewael vooreerst vast. ‘Als men nu niet overtuigd is van het feit dat de Staatsveiligheid kampte - en misschien nog altijd kampt - met een gebrek aan mensen en middelen, dan is men ziende blind. We hebben wat dat betreft geen echte veiligheidscultuur gehad in ons land en ik denk dat zich dat voor een stuk wreekt. Want het is meermaals gebleken dat de Staatsveiligheid dingen niet wist, maar misschien ook gewoon niet kon weten.’

Ook andere politie- en veiligheidsdiensten smeekten in de onderzoekscommissie om extra middelen. Dewael toont begrip, maar plaatst er wel kanttekeningen bij. Zo kregen politie en Binnenlandse Zaken volgens hem bijvoorbeeld sinds 2003 een kwart meer middelen. ‘Ze hebben misschien allemaal wat te makkelijk gezegd dat ze meer middelen moeten hebben. Het probleem oplossen vergt iets meer creativiteit’, analyseert de commissievoorzitter. ‘Nu gewoon gaan zeggen dat we de problemen kunnen oplossen door zomaar overal geld bij te steken, is dus ook niet juist.’

‘Zand in de motor’

Want op sommige plaatsen zit wel degelijk ‘zand in de machine’, oordeelt de Dewael. Zelf verwijst hij daarbij meermaals naar de intussen veelbesproken seponering van het dossier over de broers Abdeslam in 2015. Het federaal parket had daarin extra onderzoeksdaden gevraagd - zoals het uitlezen van digitale dragers - maar besliste uiteindelijk nog voor dat gebeurd was te seponeren. En diegene die het initiële proces-verbaal had opgemaakt, ‘wist intussen van niets’.

‘En dan zegt men: ‘Hoe kan het toch dat iemand onder de radar verdwijnt?’ Wel ja, zo kan dat natuurlijk’, besluit Dewael, die voor een betere informatiedoorstroming pleit. Dat kan bijvoorbeeld met meer operationeel overleg tussen de verschillende diensten en met één geïntegreerde databank die door alle diensten gebruikt wordt.

Meer algemeen moet voor hem ook worden nagedacht hoe de federale gerechtelijke politie moet worden omgevormd - al dan niet met een eigen recherchecapaciteit voor het federaal parket.

Aanbevelingen

Dewael gaat ervan uit dat zijn commissie ‘over het grootste gedeelte van de aanbevelingen wel een consensus zal kunnen bereiken’. ‘Als het natuurlijk gaat om het beoordelen van individuele en ook politieke verantwoordelijkheden, dan zal de discussie altijd wel wat moeilijker zijn’, beseft hij. Bijvoorbeeld over de verbindingsofficier van de politie in Turkije, die door minister Jan Jambon vol in de wind werd gezet.