Het Zesde Metaal laat alle zalen vol lopen
Foto: Koen Bauters

Het is Het Uur Nu voor Het Zesde Metaal. De West-Vlaamse band rond Wannes Cappelle verkoopt alle concerten uit en heeft zowaar ook zijn sound wat verhard.

Na jaren aan de kar trekken, beleeft Het Zesde Metaal zijn doorbraak. Alle concerten van deze nieuwe tournee zijn uitverkocht, het vierde album ‘Calais’ verkoopt goed, de band won recent twee Mia’s en de frontman Wannes Cappelle is een spreekbuis geworden van alternatieve levensideeën. En zeggen dat de man in 2012, toen zijn tweede cd verscheen, nog bekende dat hij op het punt gestaan had om bij gebrek aan aandacht soep te gaan maken en verkopen.

Maar Cappelle, die in zijn jonge jaren topsport bedreef, is een doorzetter, en op het podium straalde dat alleen al van zijn presence af. Lenig lijf, volle concentratie, een paar statements over vluchtelingen en lage-emissiezones: dat heet ‘scherp staan’.

Het concert dreef graag op die bredere aandacht en viel opvallend fors uit. Tom Pintens en Filip Wauters zetten vaak een gitaarmuur neer en bassist Robin Aerts voegde daar keyboards aan toe. Het klonk soms wat industrieel, maar vooral ruig en potig. Misschien vervelt de groep nu nog meer naar dat soort sound met zicht op de festivals deze zomer?

Maar was dat ook winst?

Een song als ‘Calais’, die aangrijpend en tegelijk ironisch de hoop van vluchtelingen op een beter leven in Calais beschrijft, kon die kracht gebruiken om het publiek mee te sleuren in een bijtend crescendo. Daar is Cappelle zo geweldig goed in: de woorden versterken elkaar en worden een stroom, die stroom gaat kolken, en op het einde verdrinken we in een waterval. Ook de openers ‘Paradis’ en ‘Nie voe kinders’, en ‘Ip min knieën’, troffen op die manier doel.

Cappelle is in zulke litanie-achtige songs eigenlijk geen rockzanger. Zijn stijl sluit aan bij religeus geïnspireerde muziek waar de kracht van woorden gebruikt wordt om de ziel te raken.

De ‘wall of sound’ was daarom niet steeds een bonus. Wanneer hij dienstbaar was, werkte hij. Wanneer hij ornament was, irriteerde hij. We hoorden af en toe overbodige gitaarjams, steriele structuren zonder veel inhoud, en eigenlijk teveel modale brij. De vier muzikanten stonden opvallend lang met het soort ‘cool’ te spelen zodat je je afvroeg of ze wel plezier hadden aan wat ze doen.

‘Ploegsteert’ werd wel met keyboards en steelgitaar gebracht, wat poëtisch was en het klankpalet prettig verluchtte, maar onze duimen gingen vooral hoog bij ‘Niets doen is geen optie’, een onverwachte disco-pastiche mét een boodschap, die die bandleden ineens wel tot leven en lachen bracht. Waarom Tom Pintens het leuke gitaarmotiefje in die song dan ineens wel met openlijke bezieling bracht, moet hij later eens uitleggen.

Met dat alles kan je je afvragen of Het Zesde Metaal niet beter op meer melodie en harmonie inzet, en wat minder op gitaarpower? Wat geeft de compassie en pijn - wezenlijke stijlkenmerken van deze band - het warmst gestalte? Zou een saxofonist in een vrije rol er niet wat kracht én soul aan kunnen toevoegen, zoals dat bij een Bruce Springsteen gebeurt? Zou wat meer harmoniezang dan de paar fletse pogingen van Tom Pintens de totaalsfeer niet openbreken?

Toen Cappelle ‘Vanonder’ solo zong van achter de piano, stond daar wel weer de verteller die hij in wezen is. En afsluiter ‘Gie, den otto en ik’ was weer meer een goeie song die vooral niet meer wilde zijn. Goed concert, maar het grote hart in zijn kern klonk wat hard.