Ocad-topman wil veel sterkere ‘eigen propagandamachine’ tegen IS
Paul Van Tigchelt (l.) en Patrick Ludinant (r.) Foto: Photo News

Het blokkeren van haatdragende website, of verwijderen van opruiende boodschappen op (sociale) media is één ding, maar niet zaligmakend. ‘We moeten veel meer inzetten op het empoweren van positieve krachten binnen de eigen gemeenschap’, meent Paul Van Tigchelt, de topman van het Coördinatieorgaan voor de Dreigingsanalyse (Ocad).

In de parlementaire onderzoekscommissie 22/3 kwamen vandaag enkele toplui aan het woord over het opsporen van radicalisme en extremisme op het internet. Onder hen Paul Van Tigchelt en Bart Thys van het Ocad. Het verwijderen van terreurpropaganda was jarenlang een ‘gevecht tegen de bierkaai’, aldus Thys, ‘maar in 2014-2015 is er een omslag gemaakt.’ De grote providers werken meer mee, de wetgeving is aangescherpt en er zijn ook beduidend meer middelen uitgetrokken.

‘Als IS zo groot is geworden, is dat voor een heel groot deel te wijten aan de sociale media. Maar het verwijderen of blokkeren van hate speech mag niet de enige focus zijn’, zo vulde Van Tigchelt aan. ‘We moeten veel meer aandacht besteden aan een eigen propagandamachine. Counter narrative heet dat in het jargon, het aanreiken van tegenspraak en van een positief verhaal in plaats van een negatief. Dat is niet alleen een taak van politie en veiligheidsdiensten - integendeel. Het is een taak van de hele maatschappij.’

WhatsApp en Telegram

Een ander probleem is de verdoken communicatie via ‘geëncrypteerde’ kanalen waar de veiligheidsdiensten niet aankunnen, aldus Van Tigchelt en Patrick Ludinant, directeur van de centrale directie van de bestrijding van de zware en georganiseerde criminaliteit van de federale politie (DJSOC). Denk aan WhatsApp, Telegram of Viber. Terroristen maken daar graag gebruik van, net omdát hun gesprekken dan niet te onderscheppen zijn. De veiligheidsdiensten hopen dat er snel een doorbraak komt op Europees niveau. Voorwaarde is wel dat de providers en grote bedrijven meewerken.

‘We moeten technisch kunnen wat we juridisch mogen’ zo parafraseerde Van Tigchelt wat de Franse en Duitse ministers van Buitenlandse Zaken enkele maanden geleden al bepleitten. ‘We hebben onze tapwetgeving en kunnen data onderscheppen onder de controle van een onderzoeksrechter als er concrete aanwijzingen zijn van ernstige strafbare feiten. Maar momenteel kunnen we er niet aan.’

België staat daarin niet alleen, ook andere Europese landen delen de frustratie. Het is niet de eerste keer dat het thema opduikt in de commissie, ook de inlichtingendiensten en minister van Justitie Koen Geens(CD&V) haalden het al aan. Volgens Geens ‘bedreigen de Amerikaanse internetreuzen de veiligheid van de bevolking.

Bijna drie vierde ‘over de schreef’

Hoofdcommissaris Ludinant, verantwoordelijk voor de Belgische IRU (Internet Referral Unit) die sinds 1 januari 2016 operationeel is, haalde nog enkele cijfers aan. Op ruim een jaar tijd werden 1.050 à 1.100 websites gecontroleerd, 704 van hen gingen ‘over de schreef’, aldus Ludinant. ‘Van die 704 zijn er 642 die op vrijwillige basis content verwijderden, of tijdelijk iemand of iets blokkeerden. Veel spelers werken intussen mee, maar op anderen krijgen we geen grip.’

Om terroristen, maar evengoed andere criminelen, technisch te kunnen bijbenen moeten sneller programma’s kunnen worden aangekocht en geïmplementeerd, zei hij nog. ‘De openbare aanbesteding speelt ons momenteel wel parten: het duurt weken of maanden vooraleer we een aankoop in gebruik kunnen nemen, en tegen dan zijn sommige programma’s al verouderd.’