Man verliest onderbeen na arbeidsongeval met container in haven Zeebrugge
Foto: Clément Philippe

Het bedrijf C.RO Ports Zeebrugge en twee havenarbeiders hebben zich voor de Brugse strafrechter moeten verantwoorden voor een ernstig arbeidsongeval in de haven van Zeebrugge. Het onderbeen van Ken V. (37) werd afgerukt toen hij in oktober 2010 overreden werd door een container.

De Torhoutenaar werkte sinds 2004 bij het bedrijf dat containers verscheept vanuit de haven van Zeebrugge. V. was verantwoordelijk voor het vastmaken van de containers met kettingen. Op 14 oktober 2010 struikelde het slachtoffer echter over één van de kettingen. Zijn onderbeen werd afgerukt door de container die op dat moment achteruit op het schip werd gereden.

Het arbeidsauditoraat besloot om niemand te vervolgen voor het arbeidsongeval. Door een rechtstreekse dagvaarding van de burgerlijke partij moest C.RO Ports zich toch voor de correctionele rechtbank verantwoorden. Volgens meester Reinhard Van Hecke werden de havenarbeiders immers onvoldoende opgeleid. “Door de grote tijdsdruk werd ook een onveilig systeem in stand gehouden. De veiligheidsvoorschriften waren daardoor in de praktijk onmogelijk na te leven.”

C.RO Ports vroeg de vrijspraak. Hun advocaat merkte op dat het slachtoffer zelf de veiligheidszone had moeten respecteren. Ook van onderbemanning of een gebrek aan opleiding is volgens de verdediging geen sprake.

Twee havenarbeiders werden gedagvaard voor schuldig verzuim, omdat ze niet onmiddellijk hulp boden. Willy D. (58) werd door de burgerlijke partij neergezet als een onvoorzichtige chauffeur. “Weglopen is een logische eerste schrikreactie. Maar wat konden ze meer doen dan de hulpdiensten verwittigen, wat ze ook onmiddellijk hebben gedaan”, pleitte hun advocaat.

De burgerlijke partij vorderde een voorlopige schadevergoeding van 15.000 euro. “Het was direct duidelijk dat mijn been eraf was. Ik lag in een grote plas bloed en probeerde mijn been af te binden met mijn salopette”, vertelde Ken V. op de zitting.

De rechter doet uitspraak op 8 februari.