Een gevaarlijke wending in het pensioenbeleid
Zal u zorgeloos kunnen genieten van uw pensioen? Foto: Jimmy Kets

De regering heeft wel maatregelen genomen om de financiële houdbaarheid van het pensioenstelsel te verbeteren, maar die schieten allemaal naast de kernidee uit het rapport van de Commissie Pensioenhervorming. Dat schrijven Frank Vandenbroucke, Bea Cantillon en de andere leden van de Academische Raad voor het pensioenbeleid.

Wie? Jacques Boulet, Bea Cantillon, Pierre Devolder, Etienne de Callataÿ, Jean Hindriks, Ria Janvier, Françoise Masai, Gabriel Perl, Erik Schokkaert, Yves Stevens, Frank Vandenbroucke, Elly Van de Velde.

Leden van de Academische Raad voor het pensioenbeleid, die door de regering is ingesteld ter opvolging van de Commissie Pensioenhervorming 2020-2040

De regering heeft maatregelen genomen om de financiële houdbaarheid van het pensioenstelsel te verbeteren. De verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd tot 67 jaar in 2030 is de meest controversiële ingreep. Dergelijke verhoging is op termijn waarschijnlijk onvermijdelijk maar zou deel moeten uitmaken van een breder geheel van hervormingen. Om steun te verwerven in de publieke opinie zou men moeten uitleggen wat dit beleid oplevert, welke doelstellingen ermee bereikt worden. We hebben gepleit voor een robuust sociaal contract rond de eerste pensioenpijler (het wettelijke pensioen waar iedereen verplicht aan deelneemt): enerzijds moeten duidelijke sociale ambities overeengekomen worden, anderzijds moeten aanpassingsmechanismen vastgelegd worden, om de doelstellingen daadwerkelijk te realiseren. De loopbanen verlengen is in principe het meest voor de hand liggende aanpassingsmechanisme, maar niet het enige. De kernidee uit het rapport van de Commissie Pensioenhervorming uit 2014, dat sociale doelstellingen vooraf vastgelegd worden en de eerste pensioenpijler gestabiliseerd wordt op basis van die doelstellingen (met behulp van een puntenstelsel), is tot nu toe niet opgepikt.

Veilige aanvullende pensioenen zijn zinvol

Het is goed dat een robuuste eerste pijler aangevuld wordt met een tweede pensioenpijler, op basis van fondsvorming. In het kader van haar hervormingsvoorstellen heeft de regering het idee opgevat dat werknemers de vrijheid moeten krijgen om voor zichzelf een aanvullend tweede-pijlerpensioen op te bouwen. Werknemers zouden vrij kunnen beslissen welk bedrag ze daarvoor storten en het fiscale voordeel zou hetzelfde zijn als wat nu geldt voor persoonlijke bijdragen gestort voor aanvullende pensioenen die werkgevers collectief inrichten. Deze piste van individualisering is niet alleen strijdig met een echte ontwikkeling van de tweede pijler, ze is ook gevaarlijk.

Dat zelfstandigen op individuele basis een aanvullend pensioen uitbouwen is logisch. Dat de regering naast de Individuele Pensioentoezegging, waar zelfstandigen met een rechtspersoon toegang toe hebben, een gelijkaardige formule wenst voor zelfstandigen die actief zijn als natuurlijke persoon, is ook logisch. Men moet er daarbij wel voor zorgen dat de zelfstandigen voldoende beschermd worden.

In de bestaande tweede pijler zijn belangrijke garanties ingebouwd, bijvoorbeeld inzake het te behalen rendement; wat de zelfstandigen betreft, betekent dit dat ze minstens het ingelegde kapitaal moeten terugzien. In de wereld van individuele beleggingen en verzekeringen legt de overheid dergelijke garanties niet op, maar banken en verzekeraars zijn onderworpen aan allerlei verplichtingen om de individuele consument te beschermen. Er bestaat nu een risico dat het nieuwe aanvullende pensioen tussen wal en schip valt: zonder minimale rendementsgaranties, maar ook zonder bescherming van de individuele consument. Met betrekking tot deze verschillende waarborgen is bijzondere waakzaamheid geboden.

Individuele beleggingen zijn geen pensioenen

De regering wil individuele aanvullende pensioenen ook mogelijk maken voor werknemers: de werkgever zou dan, op basis van individuele keuze, een deel van het loon storten in een pensioenplan. Hier geldt vooreerst dezelfde waarschuwing: indien noch de bestaande garanties in de tweede pijler, noch de omvattende consumentenbescherming bij individuele beleggingen en verzekeringen voorzien worden, dan is dit een bijzonder riskante formule, waarvan het toepassingsgebied ook problemen stelt, en die ongelijkheden dreigt te versterken.

Veronderstel dat het systeem voorbehouden is voor werknemers in bedrijven waar nog geen tweede pijler bestaat: wat gebeurt er dan als deze bedrijven op een bepaalde dag toch een echte tweede pijler willen opzetten? En wat met bedrijven die slechts een zeer bescheiden tweede pijler ingesteld hebben: zouden hun werknemers dan geen recht hebben op deze vrije stortingen? Anderzijds, als het systeem opengesteld wordt voor alle werknemers, dan komt de doelstelling om de tweede pijler te versterken in gevaar, want het systeem dreigt vooral gebruikt te worden omwille van het belastingvoordeel, door mensen die al in voldoende mate beschermd zijn door de bestaande pijlers.

Zelfs als men aan al deze zorgen tegemoet zou komen, dan blijft er een fundamenteel bezwaar. Deze individualisering ontmoedigt in hoge mate de verdere uitbouw van de tweede pijler voor werknemers, die gebaseerd is op collectieve plannen voor sectoren en bedrijven. Waarom zouden werkgevers nog geïnteresseerd zijn in collectieve plannen, als een formule bestaat waarbij het beleggingsrisico volledig verschuift naar de individuele werknemer? Waarom zou men nog investeren in collectief overleg over aanvullende pensioenvorming, als dit individueel, voor iedere werknemer apart, kan geregeld worden? Een individuele tweede pijler voor werknemers betekent de facto het omgekeerde van een ambitieuze ontwikkeling van de tweede pijler. De essentie van pensioenen is dat risico’s gedeeld worden. Bij werknemers kan dat op collectieve basis. Individuele beleggingen aanmoedigen hoort niet thuis in een pensioenstrategie. Men begint het sociale contract te ontrafelen, terwijl wij het precies wilden versterken; individuele risico’s en sociale ongelijkheid zullen toenemen. De tweede pijler voor werknemers individualiseren is een verkeerd ‘leuk idee’.