'Stop met die populistische praat, Montasser. Die is er al genoeg'
Foto: Frederik Buyckx
Migratie noemt hij ‘een mislukt verstandshuwelijk’ en de Wetstraat een karikatuur van de democratie. Toch hoor je de jonge ondernemer Mohamed Ouaamari niet zeuren of treuren. ‘We moeten vooruit', zegt de initiatiefnemer van het politiek jongerenplatform OPHEF.

Het politieke bedrijf is een logge tanker die water maakt. ‘En over onze hoofden heen beslist’, vonden vier twintigers. Ze willen het zèlf doen. De WhatsApp-generatie heeft nu zijn eigen partij, OPHEF.

dS Weekblad sprak met een van de initiatiefnemers van OPHEF: Mohamed Ouaamari. Hier leest u alvast een voorproefje uit het interview dat zaterdag verschijnt in dS Weekblad en op standaard.be.

‘Het enige wat de politiek misschien nog kan redden van de antipolitiek, is ­humor.’ Dat zei Willem Wallyn, de regisseur van de politieke fictiereeks De 16, deze week in Humo. Het toeval wil dat diezelfde dag OPHEF het licht zag, een politiek jongerenplatform dat begon als een grappige hashtag. Maar het is het handvol twintigers achter het initiatief even menens als David Van Reybrouck met zijn G1000. 

Cruciaal verschil: Mohamed Ouaamari, een van de aanjagers van OPHEF, is jong (25) en chill. Meer een doener dan een denker ook. Heeft de vinger behalve aan de pols van de tijd ook aan zijn smartphone. OPHEF is voor hem een experiment, een project naast zijn vele andere bezigheden als creatief ondernemer.

Stilstaan is ter plaatse trappelen, heeft Ouaamari altijd al gevonden. En dat vindt hij ook van het heilloze wij-zijgebral dat dit land met z’n morsige integratiebeleid en de wereld met haar kamikazemoslims in de greep houdt. 

dS Weekblad: Wat is er zo ‘mislukt’ aan het verstandshuwelijk tussen oude en nieuwe Belgen?

Ouaamari: ‘Mijn ouders en grootouders zouden maar even blijven in dit land, maar dat werd voor altijd. Dat heeft het verstandshuwelijk dat de migratie was, doen mislukken. Ik behoor tot de eerste generatie die opgroeide met het idee dat België ons land is. We kunnen elkaar met de vinger blijven wijzen tot we een ons wegen, maar dat is idioot. Ik zie veel jonge moslims die mondig zijn, hard studeren, meer hogere diploma’s halen en met succes ondernemen. En nee, we openen niet allemaal een kebabzaak.’ 

‘Ik had het wel voor Montasser. Hij heeft schitterend werk geleverd door in dialoog te gaan met jongeren in Syrië. Ik vond hem altijd genuanceerd. Maar na zijn arrestatie voor schriftvervalsing is er precies iets geknakt bij hem. Nu slaat hij alleen maar populistische praat uit om er een bepaald soort mensen mee te plezieren. (richt zich tot de recorder) Stop daarmee, Montasser. Er is al populisme genoeg.’

Bij velen leidt ‘het multiculturele drama’ tot defaitisme. Jij weet wel hoe het nu verder moet?

‘Dat weet ik niet. Ik ben geen socioloog, ik weet gewoon wat ik zelf ga doen en altijd al gedaan heb. Ik wil het zo ver mogelijk schoppen in de samenleving en de mensen die ik kan bereiken, wil ik inspireren en aanmoedigen. Als iedereen zijn job doet, komt het goed.’

Gedaan met treuren en zeuren?

‘Uiteraard! Ik hou niet van wat ik het Facebook-activisme noem. Er gebeurt iets en hupsakee, iedereen ventileert dan zijn frustratie in ­ellenlange, elkaar bevestigende posts. (zucht) We weten het al, jongens, kom eens van die stoel af. Ik heb er niets op tegen dat er harde woorden vallen, maar mag het ook een beetje evenredig blijven? In het verenigingsleven blijf je ook niet zaniken. Als er zich een probleem stelt, pak je dat aan. Op een dag zijn wij met de jongeren in een bejaardentehuis aan tafel gaan zitten bij de blanke oudjes. Wij hebben ze Marokkaanse bladerdeeghapjes leren maken, zij hebben ons leren breien.’ (lacht) 

Je vindt dat de een moet stoppen met moslims te stigmatiseren, maar ook dat de ander niet altijd ‘Zie je wel, racisme!’ moet roepen?

‘Dat klopt. Het is een probleem en respect voor iedereen die er tegen strijdt. Maar proportie is alles.’

Heb je het zelf meegemaakt?

‘Niet direct. Of toch, maar ik heb het pas achteraf beseft. Onlangs was ik te gast bij een niet-moslimkoppel. Het gesprek ging over verjaardagsfeestjes. Mijn vrouw en ik kwamen daar tot de vaststelling dat we als kind nooit op feestjes werden gevraagd. We stelden er ons toen geen vragen bij, maar eigenlijk is dat heel erg. Ik neem het evenwel niet zo persoonlijk. Bij anderen is de emmer der vernedering sneller vol.’

De islamenquête van Humo wimpelde je af als ‘pseudo-wetenschappelijk’. Is dat niet iets te gemakkelijk?

‘Komaan! Wie een onderzoek publiceert, moet tegen kritiek kunnen. De zus van een vriend werkt bij iVox, het online onderzoeksbureau dat die enquête afnam. Over die bewuste vraag “Heb je begrip voor IS?” vertelde ze mij iets intrigerends. In het Berbers heeft “begrijpen” een meer neutrale connotatie dan in het Nederlands. Het betekent: ken je het, weet je dat het ­bestaat? In het Nederlands impliceert “begrijpen” ook empathie. Het is wellicht geen toeval dat vooral mensen die ouder zijn dan 45, “ja” hebben geantwoord op die vraag.’

De grond van de zaak is dat er wél moslims zijn die juichen als IS toeslaat, toch?

‘Of het nu om 5 op 100 of 1 op 5 gaat, het is een probleem. Ik heb geen onderzoek nodig om te weten dat er mensen met extreem gevaarlijke opvattingen rondlopen. De vraag is: wat doe je eraan?’

Ja, wat?

‘Ik geloof niet in het verhaal van deradicalisering. Wat in die jongens hun kop zit, krijg je er niet meer uit. Het is zelfs contraproductief als je het probeert. Dit is nu eenmaal een wereld waarin je op internet alles kunt verkondigen wat je wilt. Brainwashen is een makkie. Ik vind het nuttiger om onze energie te richten op de vraag hoe we er een volgende generatie voor kunnen behoeden.'

Het volledige interview met Mohamed Ouaamari leest u zaterdag in dS Weekblad.