‘Ik wil me niet meer moeten verontschuldigen voor mijn job’
Foto: Michiel Hendryckx

De jonge verpleegster Liesbet Claeys trekt aan de alarmbel over de verwaarlozing in rusthuizen en zogenaamde zorghotels. Na een ontnuchterende interimopdracht in een privérusthuis schreef ze een pakkende getuigenis.

‘Ik ben een jonge en gemotiveerde verpleegkundige. Onlangs ging ik een weekend werken in een Gents rusthuis of, zoals het zichzelf noemt, een ‘zorghotel’. Veel ‘zorg’ of ‘hotel’ heb ik niet gezien. Helaas lijkt dit representatief voor de ouderenzorg in ons land.’

‘Als enige verpleegkundige in heel het rusthuis ben ik verondersteld om alle verpleegkundige zorgen toe te dienen aan meer dan honderd bewoners. Na een uur werk op andere verdiepingen kom ik terug en staat een van de bewoners in de gang te roepen dat hij drinken wil. In de eetzaal heeft een dame koffie uitgeschonken in haar potje druiven. Een andere bewoner staat volledig gedesoriënteerd te leunen op haar rollator in de gang, op zoek naar haar kamer. Het voortdurende gepiep van de beloproepen maakt me gek.’

Blote handen, pampers en bacteriën

‘Na twee uur werken komt de zorgcoördinator me vertellen dat ik extra aandachtig moet zijn bij de hygiënische zorgen van een bepaalde bewoner omdat zij besmet is met een bacterie. Ik vraag haar waar ik de speciale isolatieschorten kan vinden om de andere patiënten tegen de bacterie te beschermen. Die zijn er niet, zegt ze. Het personeel hier werkt onhygiënisch. Met de blote hand voelt men of de pamper nog droog is, om vervolgens de volgende patiënt met diezelfde ongewassen handen te verzorgen.’

‘Er gebeuren dagelijks fouten met medicatie. Ze wordt voor de hele dag klaargezet door verpleegkundigen en nadien verdeeld door zorgkundigen. De pillen zijn onherkenbaar, zonder identificatie met naam, enkel een kamernummer. Een bewoner moest er mij zelf op wijzen dat de medicatie die ik haar bracht niet voor haar bestemd was, al stond haar kamernummer op het potje.’

‘Wat verder zie ik een bewoner sukkelen in de badkamer. Ze kijkt me ontredderd aan. Ze heeft al dagen last van een blaasontsteking, zegt ze. Haar huisarts komt pas over drie dagen. Ik vertel haar dat ze zo lang niet moet wachten, dat ik ervoor zal zorgen dat er morgenvroeg een huisarts bij haar langskomt. Dat zal niet lukken, zegt ze, en ik vrees dat ze gelijk heeft.’

(De getuigenis gaat verder onder de inzet.)

De financiële strop van ouderenzorg

Ruim twintig procent van de 74,000 rusthuisbedden in Vlaanderen wordt ondergefinancierd. In 2013 voerde de Vlaamse regering een erkenningsstop in voor zware zorgprofielen. Sommige rusthuizen draaien hierdoor op de helft van het personeel waar ze recht op hebben. Er is geen budget om voldoende zorgkundigen, laat staan hoger opgeleide verpleegkundigen of kinesisten aan te werven.

Die strop wordt verder aangehaald. Toen ouderzorg in 2004 een Vlaamse bevoegdheid werd, ging een knip op de dotatie vanuit de federale overheid. Het idee daarachter was dat de regio’s mee moeten opdraaien voor de kosten van de vergrijzing. Om het gat in het budget te dichten, zou Vlaanderen tegen 2025 1 miljard euro moeten bijleggen.

Dat geld is er niet. Ondertussen komt de tsunami van de vergrijzing op ons af. Tegen 2050 zou het aantal 80-plussers in Vlaanderen verdubbelen tot 760.000. Om die evolutie de baas te kunnen, zouden er tot 2025 1.400 rusthuisbedden per jaar moeten bijkomen.

Rusthuisdirecties hebben twee opties om met het financieringstekort om te gaan: de druk verder opvoeren op het personeel, of de dagprijzen optrekken. Vaak gebeuren beide. De factuur voor de bewoners stijgt langzaam van gemiddeld 1.500 naar 1.800 euro per maand – op een gemiddeld pensieoen van 1.200 euro. Voor dat geld zitten bejaarden niet op hotel, maar in een zorgfabriek waar elke cent wordt omgedraaid en het personeel op het tandvlees zit.

Vijf minuten per patiënt

‘De dochter van een bewoner vraagt me hoe het komt dat haar moeder al om zes uur naar bed wordt geholpen. Ze zou liever pas rond negen uur gaan slapen. Ik vind het triest om de vrouw te moeten vertellen dat de personeelsbezetting geen andere zorgplanning toelaat. Als je je tijd verdeelt over de patiënten, heb je een dikke vijf minuten per persoon. En dat voor het helpen bij de hygiënische zorgen, het aandoen van de nachtkledij en het verplaatsen in bed. De dochter van de bewoner kijkt me aan en zegt dat ze het begrijpt.’

‘Helaas is het elders niet veel beter. Precies door deze erbarmelijke toestanden veranderde een van de werknemers van job. Ze keerde een maand later terug, want op haar nieuw werk was het nog erger. Ook in andere rusthuizen kon ik vaststellen hoe mensen die zorg nodig hebben aan hun lot worden overgelaten.’

‘Door het algemene personeelstekort hebben verpleegkundigen geen tijd, is alles een rush. Toen ik aan de hogeschool leerde een injectie te geven, hadden ze er beter een chronometer naast gehouden. Bij alles eigenlijk. Want zo is het wel: een race tegen de tijd. Er is geen systeem, geen opvolging en geen controle. Dus iedereen doet naar eigen goeddunken. Geen handschoenen, want geen tijd. Geen hulp bij het eten, geen identificatie van medicatie, geen levenskwaliteit, want geen tijd. Ik verontschuldig me een hele dag omdat ik geen tijd heb om langer bezig te zijn dan het hoognodige. Sorry mevrouw, meneer.’

‘Het zit in het bloed van elke hulpverlener: roeien met de riemen die je hebt. Maar ik vrees toch dat we stilletjes aan het zinken zijn.’

‘Is dit de verzorgingsstaat waar we altijd zo hoog mee oplopen? Ik hoop het niet, ik wil het niet. Ik wil me niet meer verontschuldigen voor mijn werk. Ik wil doen waarvoor ik afgestudeerd ben. Mag dat?’