REVIEW. P.J. Harvey: Polly Courage en haar ernstige mannen
Foto: Koen Bauters

Het was met een bang gemoed dat we de Barn binnen stapten. Onze bewondering voor PJ Harveys platen is groot, maar haar nieuwe Hope Six Demolition project vinden we nog steeds moeilijk verteerbaar.

Niet omwille van de goede bedoelingen die Harvey van Kosovo tot Afghanistan dreven, wel om de loden serieux die uit teksten en muziek spreekt. Als je als kind Rick Wakeman en Yes in capes gehuld over Koning Arthur hebt zien zingen, weet je dat de grens tussen visionair en onnozel dun is.

De tournee bij de plaat ís theatraal. Polly en haar mannen kwamen op als een soort volksbrigade, trommels op de buik, Polly met de sax in de hand en een diadeem van kraaienveren op haar hoofd. Maar voor een volksleger zaten de negen heren te strak in het pak; hun voorvrouw droeg een soort tuniek die met een brede leren riem in plaats werd gehouden en bedankte later Ann Demeulemeester.

De eerste vijf songs kwamen allemaal uit de nieuwe plaat, met veel dramatische trommelslagen, soms een vuile gitaar van Alain Johannes, vriend van Queens of the Stone Age, veel akoestische steelgitaar van Harveys rechterhand John Parish, en veel sax. Vanaf de oudjes ‘Let England shake’ en ‘The words that maketh murder’ kreeg het optreden verdomd veel vaart, en hart.

Daarin werd je toch genadeloos meegezogen - en in mooie details als de viriele backingzang in ‘Dollar dollar’ of de hortende sax van Terry Edwards in ‘The wheel’. En dan moest het altijd ziedende ‘50ft queenie’ nog komen.

Als Bertolt Brecht met Engelse folk was grootgebracht, dan had hij dit optreden geschreven, met Polly Jean als eigentijdse Mutter Courage. Maar theatraal als het was, was het ook muzikaal meeslepend. Behalve ‘The orange monkey’ van de nieuwe plaat, dat blijven we met zijn mix van silly metaforen en Bijbelse taal iets vinden dat ze aan Yes had moeten geven.