Nu ik de ombudspijp aan Maarten geef - voorzien van enkele kritische bemerkingen nog snel in de steel gekrast - wil ik uit het diepst van mijn hart alle lezers bedanken die me hun opmerkingen en klachten hebben gestuurd over De Standaard. Uw betrokkenheid deed mij veel deugd, en ze heeft de krant ook beter gemaakt. In de loop van die vijf jaar heb ik het hele spectrum mogen behandelen aan vragen en bezwaren waar burgers mee worstelen, en ben ik met hen in debat mogen gaan over het onbehagen dat journalistiek vaak oproept. En af en toe hebben ze me ook gewoon hard doen lachen. Deze tien stukken vatten voor mij de discussies van de afgelopen vijf jaar het beste samen.

Een dood levend standbeeld

Laat ik met een luchtige noot beginnen: met een lijk. Soms gebruikte ik de ombudscolumn om een simpele fout recht te zetten – en en passant uit te leggen hoe die had kunnen gebeuren. Tussen 2008 en 2013 verschenen er in de Vlaamse media bij herhaling artikels over de moord op een Nederlandse vrouw, die bij leven aan de kost kwam als 'levend standbeeld' in Antwerpen. De foto die telkens opnieuw bij de artikels over het onderzoek en uiteindelijk het proces geplaatst werd, toonde haar bij het beoefenen van die kunst. Al die tijd stond er een Vlaamse kunstenaar ergens keihard zijn wenkbrauwen te fronsen, want dat vermoorde levende standbeeld op de foto... was een écht.

 

‘Fuck, daar staat overal hetzelfde!’ 

Hoe onafhankelijk staat een krant tegenover de PR-industrie, die journalisten ziet als uitvoerders van hun commerciële strategie? Zeker in de entertainmentsector is de vrijheid van de journalist erg beperkt geworden. Filmstudio’s, tv-zenders en muziekmaatschappijen werken met zulke rigide mediaplanningen, dat een redactie vaak maar twee keuzes heeft: meedoen of niets schrijven. Dat dan op dezelfde dag in zes kranten identiek hetzelfde stuk staat, is voor de promotiedienst alleen maar meegenomen.

 

De Stevaert-berichtgeving was oké 

Bij schokkende gebeurtenissen die een hele natie raken, richten mensen hun onbehagen vaak op de pers, die ze verwijten om ethiek te offeren op het altaar van de sensatiezucht. Dat kwam heel sterk tot uiting na de busramp in Sierre, toen met name de populaire kranten door het stof moesten omdat ze foto’s van de overleden kinderen hadden gepubliceerd. (Mijn bespreking van de Sierre-berichtgeving vindt u hier.) Ook als beroemdheden in opspraak komen – zeker als dat gebeurt in zedenzaken, waarbij het persoonlijke politiek wordt en mensen er verschillende inschattingen op nahouden over wat privé moet blijven en wat publiek besproken kan worden – duiken dezelfde verwijten op: sensatiezucht, schending van de privacy, laat die mensen toch gerust... Dat was recent het geval bij Guy Van Sande, en aan het begin van mijn termijn bij Jos Ghijsen en Pol Van Den Driessche. (Mijn besprekingen van die zaken vindt u hier en hier.) Maar soms houden journalisten zich aan alle deontologische voorschriften, en wordt hun werk toch als onethisch ervaren. Dat was het geval, vond ik, bij de zelfmoord van Steve Stevaert.

 

Onwezenlijke en daardoor relevante beelden 

Wat is het nut van gruwelijke beelden? Denken jullie dat lezers zich niet zelf kunnen inbeelden hoe een mens eruit ziet die net uit een geëxplodeerd vliegtuig is gekatapulteerd, door IS werd gefusilleerd, of ternauwernood een bomaanslag heeft overleefd? De discussie woedt bij ieder gemediatiseerd conflict, maar werd érg heftig toen De Standaard foto’s publiceerde van inzittenden van de in Oekraïne neergeschoten vlucht MH17.

 

Waarom Parijs 120 keer meer aandacht kreeg dan Beiroet 

Het nieuws wordt al jaren gedomineerd door jihadistische terreur – en door het geritualiseerde, gemediatiseerde en gemondialiseerde medeleven dat erop volgt. (#JeSuisStadWaarDodenVielen.) Maar ìs dat medeleven wel zo mondiaal? Als er Westerse doden vallen, lijkt er wel verdacht méér van te zijn.

 

 Van de oorlog en de weegschaal 

Hoe gepolariseerder een conflict, hoe luider het verwijt dat de media niet neutraal zijn. Dat is in de allerovertreffendste trap het geval voor het allergepolariseerdste conflict van deze tijd (zelfs gepolariseerder dan dat tussen Guy Verhofstadt en Bart De Wever): Het Conflict Waarvan Zelfs De Benaming Voor Discussie Zorgt, maar dat doorgaans (maar dus niet ongecontesteerd) ‘het Palestijns-Israelisch conflict’ genoemd wordt. Voor ombudslieden is het een vergiftigd cadeau: het is zo’n complex dossier dat het afwegen van alle aspecten ervan een heksentoer is, waardoor ieder oordeel over evenwicht hoedanook betwist kan worden. Bovendien koesteren de lezers die over het gebrek aan neutraliteit klagen sowieso zulke sterke overtuigingen, dat de kans dat je ze op een andere manier naar de berichtgeving kan doen kijken, quasi nihil is. Tijdens de recentste Gaza-oorlog (zomer 2014) deed ik toch een poging.

 

Stigmatiseren we psychiatrische patiënten? 

Nieuws doet meer dan mensen informeren over opvallende gebeurtenissen. Onbewust geeft het lezers ook een beeld mee over hoe de wereld in elkaar zit – en over de mensen die in die wereld rondlopen. Die beeldvorming is positiever voor de ene groep dan voor de andere. Het nieuws, zo luidt het verwijt, reproduceert bestaande stereotypes, en journalisten (en ombudslieden) worden dan ook opgeroepen om zich daarvan bewust te zijn en die stereotypes te doorbreken. Die kritiek klinkt luid uit de mond van etnische en religieuze minderheden, van vrouwen en (al iets minder luid) van armoedebestrijders. Maar ook minder ‘gemediatiseerde minderheden’ voelen zich gestigmatiseerd. Een uitgebreide analyse.

 

Je mag niet zomaar artikels vertalen 

Geen idee of er een oorzakelijk verband is (vast niet), maar de kwaliteit en de sérieux van de artikels op De Standaard Online ligt vandaag veel hoger dan toen ik begon. Eén van de eerste stukken die ik schreef heette nog ‘Weg met bullshit online’ . Het Nieuwsblad Online en De Standaard Online waren toen nog automatisch aan elkaar gekoppeld, en het gebeurde dat er ondraaglijk lichte stukjes over UFO’s het label ‘De Standaard’ meekregen. De kloof tussen de site en de papieren krant (qua toon, qua journalistieke selectie, qua betrouwbaarheid) was erg groot. Die is nu kleiner, ook in de gratis sectie. Toch blijven er veel aandachtspunten: online verschijnen er nog altijd veel taal- en spelfouten, de toon van de artikels wijkt soms te sterk af van wat je verwacht, en door het gretige en snelle overnemen van verhalen uit andere media blijft het risico op plagiaat (nochtans een deontologische doodzonde) veel groter dan op papier.

 

Reclame loont niet meer 

Een van de evoluties waar ik het meest mijn hart voor vasthou, is de opkomst van zogenaamde native ads, advertenties die doen alsof ze gewone krantenartikels zijn. Ik heb geen principiële bezwaren tegen nieuwsmedia die advertenties publiceren - ik denk niet dat media zònder per se betrouwbaarder zijn, en mits goede afspraken lopen de twee elkaar niet voor de voeten. Maar één van die afspraken is dat het voor de lezer te allen tijde duidelijk moet zijn wat een reclameboodschap is, en wat nieuws. Dit stuk gaat over een advertentie waarin dat verschil onaanvaardbaar vaag geworden was. (En dit stuk verscheen eerder, over een gelijkaardig geval.)

 

Correcties en aanvullingen

En om af te sluiten: ik beheerde ook (samen met de redactie Opinie) de rechtzettingen. Doorgaans zijn dat droge, feitelijke correcties van een kleinigheid. Maar heel af en toe staat er een vergissing in de krant, waar je maanden later nog om staat te giechelen. Mijn favoriet is deze - het is de derde, over Bowie.