Wie de afgelopen vijf jaar weleens een ombudsstuk van mij gelezen heeft, weet dat ik graag tel. Dat komt omdat ik me al heel lang erger aan mediakritiek die vertrekt vanuit een buikgevoel. Mensen lezen één stuk dat hen stoort, en veralgemenen meteen naar de hele berichtgeving. Als ombudsman dacht ik: ik wil dat toch eerst zeker weten, voor ik de redactie adviseer om er iets aan te doen. Dus probeerde ik telkens een zo groot mogelijke hoeveelheid artikels te analyseren. Dat heb ik ook gedaan voor dit onderzoek naar de politieke berichtgeving. Maar hoe heb ik die geteld?

Er bestaan veel manieren om tendenzen in de berichtgeving te meten. Voor dit onderzoek naar de politieke berichtgeving heb ik gekozen voor de meest eenvoudige: ieder stuk waarin een partij genoemd werd – zelfs zijdelings, in één zin – werd meegerekend voor het resultaat van die partij. Als er meerdere partijen in één stuk voorkwamen, werd dat stuk voor ieder van die partijen meegeteld. En als een stuk negatief uitdraaide voor partij X, maar positief of neutraal voor partij Y, dan kreeg partij X voor dat stuk een negatieve score, en partij Y een neutrale of positieve. (Dat verklaart waarom de percentages niet tot 100% optellen.)

Ik heb dus geen rekening gehouden met het relatieve gewicht van het artikel binnen de krant (staat het op de voorpagina of niet, is het een kopstuk of niet, staat er een foto bij of niet) en al evenmin met het relatieve gewicht van de partij binnen het artikel (een interview van drie pagina's met Vincent Van Quickenborne, waarin in één passage CD&V genoemd werd, kreeg dus één punt voor Open VLD en één voor CD&V). Dat deed ik om het onderzoek niet hopeloos complex te maken: in de meerderheid van de politieke stukken worden meerdere partijen genoemd, het is onbegonnen werk om telkens het precieze gewicht van iedere partij te berekenen. (Moet je dan ook gewicht toekennen aan een vermelding in de titel of de inleiding, aan de foto, aan...?) De tweede reden is dat ik eraan twijfel of lezers meer belang hechten aan grotere stukken: ik ben even vaak in debat gegaan over kortjes. Met name de eerder lichtvoetige rubriek 'Kreten en Gefluister', die uit ultrakorte berichtjes bestaat, werd er meermaals van beschuldigd om partijen in een negatief daglicht te stellen.

Door die keuze om iedere vermelding te tellen loop ik natuurlijk het risico dat een partij héél veel vermeldingen krijgt, terwijl ze eigenlijk alleen maar zijdelings in mini-artikeltjes voorkomt. Ik kan u geruststellen: dat komt weinig voor. In de meeste artikels spelen partijen die vernoemd worden, wel degelijk een significante rol. Door iedere vermelding te tellen, ten slotte, kun je goed zien hoe dominant één politiek merk (in dit geval de N-VA) wel niet is in het hedendaagse politieke debat.

De telling van de positieve, neutrale en negatieve vermeldingen is moeilijker, omdat zo'n beoordeling inherent subjectief is. Talrijk zijn de keren dat ik met een lezer in discussie gegaan ben, omdat die lezer er van overtuigd was dat een artikel blijk gaf van vooringenomenheid, terwijl ik een gortdroge weergave van een persconferentie las. Lezer gefrustreerd: die ombudsman is verblind door zijn politieke overtuiging. Ombudsman gefrustreerd: die lezer wordt verteerd door zijn politieke overtuiging. Om dat te vermijden heb ik me bij de beoordeling trachten te houden aan een aantal principes. Een artikel werd als 'negatief' geclasseerd als er ofwel door de krant zelf, ofwel door een derde partij (meestal een andere politicus) in aantoonbaar kritische bewoordingen over een politicus of een partij gesproken werd. Ging het om een conflict tussen twee partijen, dan probeerde ik naar de balans te kijken: als de boventitel bijvoorbeeld luidde “Ook CD&V hekelt nu ‘verrottingsstrategie’ van Bart De Wever” (DS 1 maart 2016) en de eerste zes paragrafen worden gewijd aan kritiek van andere partijen op de N-VA, dan telde ik dat stuk als negatief voor N-VA, ook al komt er aan het eind van het stuk een uitgebreid weerwoord. Als een stuk echter een discussie tussen twee partijen neutraal navertelde, waarin ze ieder even vaak aan het woord kwamen, dan was dat stuk 'neutraal'. Dat een stuk het label 'negatief' meekreeg zegt dus niets over eventuele vooringenomenheid van de redactie: het is zeer normaal dat partijen soms negatief in het nieuws komen. Ik was enkel op zoek naar grote verschillen. Maar in de politieke berichtgeving waren die er dus niet.

Bij opiniestukken ligt de indeling meer voor de hand. Een opiniestuk is negatief voor een partij als de schrijver de partij ergens over bekritiseert. Als 'neutraal' telde ik die stukken waarin een partij gewoon vernoemd werd, meestal slechts zijdelings, en ook stukken die geschreven waren door een mandataris van die partij, maar zonder dat er in het stuk de lof over de partij werd gezongen. 'Positief' ten slotte waren die stukken waarin een partij expliciet geprezen werd.

Zoals u leest, heb ik enkel dié opiniestukken bekeken waarin een politieke partij of een politicus bij naam genoemd werd (of als er duidelijk impliciet naar wordt verwezen, zoals wanneer er over 'de bevoegde staatssecretaris' gesproken wordt en dat alleen maar Theo Francken kan zijn). Die 129 maken 29% uit van de 446 opinie-artikels die in totaal in de onderzochte periode verschenen zijn. Hoewel ook uit die andere ideologische voorkeuren kunnen worden afgeleid, is het onbegonnen werk om die te tellen en met elkaar te vergelijken. Een discussie over onderwijs kent immers andere tegenstellingen dan een over euthanasie, over mobiliteit, of over het asielbeleid.