Duizenden vierkante meters beton, miljarden inwoners, een land getekend door georganiseerde misdaad. Ik kan de smog al zien. Voor me ligt het boek dat ik kocht voor mijn vertrek: ‘Several ways to die in Mexico City’ van Kurt Hollander. Niet bepaald opbeurende lectuur.

Uit het raam van mijn gehuurde appartement, op de 14de verdieping van een recent betonnen gebouw, zie ik een gelijkaardig beeld van de stad. De neonlichten van een groezelig motel, prostituees die wachten op een klant, een slechte kopie van een Amerikaanse diner. Maar het zicht, waardoor ik me in een Sin City-film waan, beurt me op.

Ik ga hier op zoek naar de dagelijkse omgang met de Dood in een grootstad. Vanwaar dit thema? Ik ben gefascineerd door de mensheid, hoe we leven en onze taboes. Toen ik aan Mexico Stad dacht, dacht ik meteen: ’22 miljoen inwoners, hoeveel doden betekent dat?’ (Voor de geïnteresseerden: zowat 450 per dag.)

Eerste halte: de werkplaats van een begrafenisondernemer. Een poort voor de lijkwagens, rechts een kamer met een tv en twee matrassen, links de gang waar al 25 jaar lang de lichamen uit de lijkwagen worden geladen, onder het toeziend oog van een ingekaderde Jezus. De werkruimte ziet er afgeleefd maar proper uit.

Ik ontmoet Adan, een jonge aflegger. Hij leerde stiel van zijn oom op een begraafplaats. Nu werkt hij in dienst van de begrafenisondernemer voor 50 dollar per week. Het kost hem 40 minuten om een lichaam uit te kleden en schoon te maken, de organen en zenuwen te stabiliseren met chemicaliën, met bleekmiddel geuren te elimineren, het lichaam weer aan te kleden en op te maken. Zijn hulpmiddelen: chirurgisch materiaal en make-up.

De dood aanschouwen en fotograferen is niet makkelijk. Terwijl de ziel het lichaam verlaat (zoals de filosofie en religie het beschrijven), blijft het lichaam achter als een lege enveloppe die is schoongemaakt met bleekmiddel.