De kamer van inbeschuldigingstelling (KI) heeft vrijdag het verzoek tot vrijlating verworpen van Mehdi Nemmouche, de hoofdverdachte in het onderzoek naar de aanslagen op het Joods Museum. De raadkamer had het verzoek al op 10 maart verworpen, maar de verdediging van Nemmouche ging daartegen in beroep. Zijn verdediging vroeg de vrijlating, omdat de nieuwe pot-pourri II-wet bepaalt dat de voorlopige hechtenis voor zware misdrijven niet langer met drie maanden kan verlengd worden.

Tot nu toe maakte de wet een onderscheid tussen correctionaliseerbare misdaden, die in principe door de correctionele rechtbank behandeld werden, en niet-correctionaliseerbare misdaden, die door het assisenhof beoordeeld werden. Verdachten van correctionaliseerbare misdaden die in voorlopige hechtenis zaten, moesten elke maand voor de raadkamer verschijnen, verdachten van niet-correctionaliseerbare misdaden om de drie maanden.

Nu de pot-pourri II-wet in werking is getreden, wordt er geen onderscheid gemaakt tussen correctionaliseerbare en niet-correctionaliseerbare misdaden. Volgens de advocaten van Mehdi Nemmouche had de beslissing van de raadkamer om hun cliënt drie maanden langer in voorlopige hechtenis te houden daardoor geen legale basis meer en moest de man vrijgelaten worden. Na de raadkamer heeft nu ook de KI die argumentatie verworpen.

De raadkamer had de voorlopige hechtenis op 10 maart met een maand verlengd.