Verdediging Nemmouche vraagt vrijlating op basis van ‘fout in potpourri-wet’
Mehdi Nemmouche, de hoofdverdachte in het onderzoek naar de terreuraanslag in het Joods Museum van Brussel.

De advocaten van Mehdi Nemmouche, de hoofdverdachte in het onderzoek naar de terreuraanslag in het Joods Museum van Brussel, zullen donderdag voor de Brusselse raadkamer de vrijlating van hun cliënt vragen.

De raadkamer besliste op 14 januari nog om de man 3 maanden langer in de cel te houden, maar volgens de advocaten is die termijn te lang. Ze baseren zich daarvoor op een artikel in de tweede potpourri-wet van minister Koen Geens, die op 5 februari werd gestemd.

Die wet voorziet dat alle misdrijven in principe door een correctionele rechtbank behandeld moeten worden, en dat zeer zware misdrijven slechts bij uitzondering door het assisenhof beoordeeld zouden worden. Daardoor moeten alle gedetineerde verdachten in afwachting van hun proces elke maand voor de raadkamer verschijnen, ook verdachten van moord of doodslag die tot nu toe om de drie maand voor de raadkamer moesten verschijnen.

De krant La Dernière Heure meldt dat de advocaten van Mehdi Nemmouche en van Mohammed Bakkali, een van de verdachten in het onderzoek naar de aanslagen in Parijs, die wetswijziging zullen aangrijpen om de onmiddellijke vrijlating van hun cliënt te eisen.

Volgens Nemmouches advocaten had de man midden februari al voor de raadkamer moeten verschijnen. Dat klopt niet, klinkt het bij het Kabinet Justitie. ‘De potpourri-wet voorziet immers dat alle beslissingen aangaande de voorlopige hechtenis die voor 1 juli 2016 genomen zijn, hun geldigheid behouden’, zegt Sieghild Lacoere, woordvoerster van minister van Justitie Koen Geens (CD&V).