Het Boliviaanse meer Poopó is niet meer. Wat ooit het op een na grootste meer was van het land, is nu een droog landschap van meer dan 2.000 vierkante kilometer. Zo ziet de toekomst van de klimaatverandering eruit, zegt een expert.

Vorig maand is Lake Poopó officieel uitgedroogd verklaard. Maar liefst 98 procent van het water is verdwenen. Slechts hier en daar staat nog water.

Wat overblijft is een woestenij op de Hoogvlakte van Bolivia. Visnetten liggen verlaten op de oevers en insecten krioelen op de karkassen van dode vogels. Volgens biologen zijn zeker 75 vogelsoorten verdwenen. De meeuwen die zijn gebleven, vechten om de laatste restjes voedsel. De planten en het leven in het water zijn samen met het meer verschrompeld.

Ook duizenden mensen zagen hun broodwinning verloren gaan. De voorbije drie jaar zijn meer dan 100 families verhuisd uit het dorp Untavi, ongeveer de helft van de bevolking. Enkel de ouderen blijven achter.

Mens en klimaat

De laatste drie decennia staat het kwetsbare ecosysteem zwaar onder druk. De droogte is volgens wetenschappers enerzijds veroorzaakt door de mens, door onder meer irrigatieprojecten in de landbouw en de zware industrie in de regio. Zelfs voor het meer verdween, was het water al zwaar vervuild met zware metalen door de mijnbouw in de streek.

Anderzijds speelt ook de klimaatverandering een rol, waaronder de droogte die het weerfenomeen El Niño met zich meebrengt.

De kans op herstel is klein, zeggen wetenschappers. ‘Dit is een beeld van de toekomst van klimaatverandering’, zegt de Duitse gletsjerexpert Dirk Hoffman. Omdat de gletsjers in de Andes smelten, stroomt er ook minder water naar het meer.

Er zijn projecten die het meer proberen te redden, maar sommigen vrezen dat het te laat is. ‘Ik denk niet dat we het azuurblauwe water van Poopó nog zullen terugzien’, zegt onderzoeker Milton Perez. ‘Ik denk dat we het kwijt zijn.’