The Top End, het avontuurlijke noorden van Terra Australis
Foto: dieter moeyaert

Mensen die zich een weg zoeken van Alice Springs, in het hete hart van het Australische continent, naar Darwin, in het tropische noorden, bereiken hun bestemming met een glazige blik op hun gezicht, de ogen gefixeerd op wat er zich honderd of tweehonderd meter verder afspeelt.

Dat is wat de hypnotiserende rit van 1.500 kilometer over de pijlrechte Stuart Highway, doorheen de stoffige vlaktes van de Tanami Desert, met een mens doet. Af en toe springt er een kangoeroe voor je neus, maar dat is zo ongeveer het spannendste wat er onderweg kan gebeuren. Alles is fel, wit zonlicht, en stof, véél stof.

Vanaf kilometerpaal 1.200 zie je het landschap veranderen. De bush wordt groener, de temperatuur en de vochtigheidsgraad stijgen zienderogen, en hier en daar duiken termietenheuvels en palmbomen op: welkom in de savanne. Net voor Darwin kom je af en toe een airstrip uit de Tweede Wereldoorlog tegen: verweerde, gebarsten lappen asfalt die de Amerikaanse luchtmacht gebruikte als basis in hun strijd tegen de beruchte Japanse Mitsubishi Zero-vliegtuigen.

Waagstuk

Op het eerste gezicht had Darwin weinig te bieden. Cycloon Tracy veegde de stad op kerstavond 1974 van de kaart, waarna de houten paalwoningen en prachtige veranda’s van zijn vroegere, tropische architectuur plaats ruimden voor steviger, maar heel wat minder oogstrelende gebouwen.

Ik dacht ook dat ik er niet ging kunnen zwemmen in zee – iets waar ik enorm naar uitkeek, na een week in de outback – aangezien de Timorzee er normaal wemelt van pijlstaartroggen (die een detector voor elektronische activiteit in de pijl van hun staart hebben, zo prikken ze hun prooi recht in het hart – dat is wat Crocodile Hunter Steve Irwin fataal werd in 2006), zoutwaterkrokodillen en kubuskwallen (die lijken op drijvende plastic zakjes, hun meterslange, giftige tentakels kunnen een kudde stieren ter plaatse doden, maar eigenlijk voeden ze zich enkel met larfjes en zeewier).

Maar zie: de plaatselijke lifeguard verzekerde me ervan dat het water te laag stond voor de krokodillen en te koud was (minder dan dertig graden) voor de kwallen, dus waagde ik me meteen aan een dip op Mindil Beach. Het water was heerlijk. ‘s Avonds kon ik me tegoeddoen aan streetfoodgerechten uit de vier hoeken van de wereld, op de vermaarde Mindil Beach Market.

Springende krokodillen

De toerismedienst van The Northern Territory was zo vriendelijk om me een tour aan te bieden langs de Adelaide River en het Litchfield National Park; na Kakadu het belangrijkste natuurpark van The Top End. Gids Luke van Wallaroo Tours entertainde ons gezelschap met sappige verhalen over hoe hij met zijn bootje ging vissen (een tinny, verwijzend naar het tin waaruit de kiel bestaat) en daarbij aangevallen werd door krokodillen: ‘Hij wilde mijn motor oppeuzelen, dus stuurde ik mijn tinny op zijn lelijke smoel, om te tonen wie de baas was. Nadien kwamen de vrouwelijke crocs allemaal naast me liggen, omdat ik mezelf tot nieuwe chef van de rivier had gekroond’, aldus Luke.

’Wacht tot je Pat ziet’, gniffelde hij vervolgens. ‘Die gaat jullie een Jumping Crocodile Tour geven op de Adelaide River. Een echte sweetheart, die Pat. Knappe jongen. Hij is opgegroeid in deze wetlands.’ De Pat in kwestie bleek een oude, verfrommelde riverman te zijn, met vettig haar, uitpuilende ogen en knobbelige handen. Maar vertéllen kon hij, en hij sprak de taal van de dieren, geleerd van de Aboriginals met wie hij opgroeide.

Met een stukje kip aan een touwtje lokte hij de zoutwaterkrokodillen uit hun territorium. Ze hebben geen hersenen, maar gaan af op geluid, dat onder water zes keer sneller reist dan in de lucht. Eenmaal Pat er één had weten te lokken, door het stukje kip in het water te laten plonzen, liet hij ze hoger en hoger springen, waarbij ze hun hele lijf met hun krachtige staart uit het water stuwden.

Billabong

Onderweg naar Litchfield leerde ik de rest van de groep kennen. Ik raakte aan de praat met Chad, met wie ik een liefde voor autoracen bleek te delen. Hij vertelde me dat hij tv-commentaar gaf bij de V8 Supercars-serie, na de Formule 1-race in Melbourne de populairste autoraceklasse in Australië (zie verder).

We stapten van het busje vlak bij een termietenheuvel. Termieten zijn verwant met kakkerlakken, en niet met mieren, zoals iedereen denkt. Geduldig bouwen ze de torens op met druppeltjes modder en speeksel, tot ze zo hard zijn dat auto’s er zich te pletter tegen kunnen rijden.

Wat later gingen we zwemmen in billabongs, of natuurlijke zwembaden. In het regenseizoen staat dit hele gebied onder water, en kun je al eens een krokodil tegenkomen in de billabongs, maar in de droge periode trekken ze zich terug naar de rivieren.

Het gevaar loert overal, dus je kan jezelf maar best de Australische attitude aanmeten: laconiek, een mopje maken van alles, en met een eeuwige glimlach door het leven gaan. Als een Australiër zegt dat iemand een zwaar verkeersongeval gehad heeft, ‘but they’re okay now’, bedoelen ze eigenlijk dat hij of zij alweer zelfstandig kan ademen, en misschien, over tien jaar, terug zal kunnen lopen. Het is een bijzonder ras, de Australiër.

‘Bogans’

De liefde voor autoracen bracht me uiteraard ook naar de V8 Supercars-race in de Hidden Valley Raceway. De eerdergenoemde Chad, deel van het gezelschap op de Wallaroo Tour, wist me te vertellen dat de campings bij het circuit streng verdeeld worden onder fans van Holden (een merk van General Motors dat wij kennen als Opel) en die van Ford – dat zijn de twee constructeurs die de meeste modellen inzetten in de V8-klasse.

Auto’s met krachtige achtcilindermotoren zijn voor de meeste Australiërs een natte droom. Tussen de twee kampen wordt er vaak gevochten, zo fel is de rivaliteit. Meer hoef ik u eigenlijk niet te vertellen over deze vorm van racen en over het volk dat de races aantrekken: het waren allemaal bogans (het Australische equivalent van de Amerikaanse redneck).

Verder maakten hun V8-motoren enorm veel kabaal, was er een demonstratie met een Australische legerhelikopter, en ging ik met veel plezier op de foto met twee Australische pitspoezen. Met andere woorden: die dag op Hidden Valley was méér dan geslaagd. Misschien schuilt er wel een echte bogan in me.