Het gevaar loert overal
Tom Naegels

Als je leest dat je kan sterven aan medicijnen, dan wil je toch meteen weten welke? Die boodschap in de krant brengen, botst met heel wat andere berichten en vergt meer duiding, schrijft Tom Naegels.

Nog een geluk dat we ook aan iets anders kunnen sterven. Aan de medicijnen die ons nochtans in leven zouden moeten houden, bijvoorbeeld.

Dat was de boodschap van ‘Geneesmiddelen zijn gevaarlijk’ (DS 18 november) , een interview over twee pagina’s met bioloog Peter Gøtzsche over zijn boek, Dodelijke medicijnen en georganiseerde misdaad. Het is een fors interview. De toon wordt gezet door de eerste zin: ‘Gooi alle medicijnen maar het raam uit’, weliswaar bedoeld als halve boutade – alhoewel. Medicijnen zijn immers de op twee na grootste doodsoorzaak. ‘De hele gezondheidszorg is corrupt’, zo lees ik. ‘Er is weinig verschil met de georganiseerde misdaad’, reden waarom het artikel geïllustreerd wordt met een bewerkte affiche van The Godfather: The GodFarma. En Gøtzsche vindt het wel degelijk geen slecht idee om op te houden met medicijnen nemen – sommigen hebben hem al geschreven dat ze dat na het lezen van zijn boek gedaan hebben, en naar eigen zeggen voelden ze zich veel beter!

Daar had een van de lezers ernstige vragen bij. Het artikel wordt immers gelezen door echte mensen, die echte medicijnen nemen tegen echte aandoeningen. Wat moeten die met die informatie? Zijn ze echt beter af als ze ophouden met hun pillen? Waarom worden Gøtzsches claims niet gecontroleerd of minstens beter uitgelegd? Gøtzsche, zo vat ik de kritiek samen, kreeg de klassieke ‘controverse-behandeling’. Iemand zegt iets controversieels, en de krant interviewt hem om te laten zien dat het inderdaad erg controversieel is. Of het ook wáár is, en wat je daar in je eigen leven mee moet, daar hebben lezers het raden naar.

Sander Voormolen, wetenschapsredacteur bij het Nederlandse NRC Handelsblad waaruit De Standaard het interview overnam, zegt me dat het vooral de bedoeling was om de ‘klokkenluider’ Gøtzsche aan de lezers voor te stellen. ‘Hij legt de vinger op een aantal gevoelige plekken, bijvoorbeeld het gebrek aan onafhankelijk onderzoek naar de werking van nieuwe medicijnen en de agressieve marketing ervan. Zijn boek is goed gedocumenteerd. Tegelijk brengt hij zijn boodschap erg agressief, en is het niet te controleren of zijn voorbeelden exemplarisch zijn voor de werking van de hele industrie. Ik heb hem kritisch willen interviewen, en dat blijkt volgens mij ook uit de vragen die ik hem stelde. Maar in een interview is het lastig om een wat beschouwender positie in te nemen als journalist. Misschien is het een goed idee het boek alsnog kritisch te laten bespreken. Want ik merk dat de lezer veel behoefte heeft aan duiding als het om de eigen gezondheid gaat.’

Die behoefte is begrijpelijk. Als ik lees dat ik kan sterven door medicijnen te nemen, dan wil ik toch meteen weten welke? Ook aan een aspirientje?

Maar het gaat over meer dan de dienstverlening aan de bezorgde lezer. De Standaard bericht zeer vaak over gezondheidszorg, en specifiek ook over medicijnen. Ik vind daar duidelijk positieve artikels tussen, zoals ‘Nobelprijs voor malariamedicijn’ (DS 6 oktober) of ‘Nieuw middel tegen melanoom’ (27 oktober) . Ik vind er artikels tussen die weliswaar kritisch zijn, maar duidelijk aangeven waar ze kritisch over zijn: ‘Te snel schrijven, te snel slikken’ (DS 29 oktober) gaat over slaappillen, ‘Nederlanders kan ik correct behandelen, Belgen niet’ (DS 16 november) over de behandeling van een beenmergziekte, en ‘Last van de longen? Neem Viagra’ (DS 29 september) over het gebruik van medicijnen om aandoeningen te behandelen waarvoor ze niet zijn bedoeld. Plots zonder veel context een interview plaatsen waarin wordt gesteld dat alle geneesmiddelen slecht zijn, vreet aan de coherentie van de krant.

Let op!

Mijn laatste bedenking gaat over de manier waarop Gøtzsche en zijn boek aan de lezers worden gepresenteerd. De journalist benadrukt net als Gøtzsche een gevaar: let op, je kan sterven. Het is een vaak gebruikte techniek om aandacht af te dwingen: als er gevaar dreigt, dan moet je immers wel opletten. Onlangs trof ik die techniek bijvoorbeeld aan in ‘Fijn stof schaadt de foetus’ (DS 21 oktober) , ‘Schadelijke chemische stoffen in onze kledij’ (DS 28 oktober) , ‘We vergiftigen onze kinderen’ (DS 5 oktober) , ‘Rood vlees is kankerverwekkend’ (DS 26 oktober) , ‘Ingrediënten om voor op te passen’ (DS Magazine 21 november) of het al eerder hier besproken ‘Waarschijnlijk hebt ook u giftige teflon-stof in het bloed’ (DS 27 oktober) . Zeker in een periode waarin mensen daadwerkelijk bang zijn – zij het niet voor medicijnen of rood vlees – doet het me beseffen hoe argeloos en zorgeloos we die angst voor de onvermijdelijke dood eigenlijk voortdurend oproepen. Maar vertel me dan toch ook duidelijk hóe schadelijk een en ander is, denk ik telkens. Even schadelijk als roken? Even schadelijk als dronken rijden? Of spreken we over een kans die vele, vele, vele, vele malen kleiner is? En kan dat objectieve verschil in risico dan geen rol spelen in de beslissing over hoe sterk het gevaar moet worden benadrukt?

De ombudsman houdt de redactie van De Standaard wekelijks een spiegel voor. Opmerkingen over journalistiek in De Standaard kan u melden via ombudsman@standaard.be en via www.standaard.be/ombudsman, waar u ook links vindt naar zijn Facebook- en Twitterpagina (@OmbudsDS)