‘Mensen die vrouwen tot seksslaven maken, noemen Parijs een stad van prostitutie.'
Foto: dsw
Enkele dagen nadat in Parijs mensen werden gedood op een terrasje en in een concertzaal, sprak dS Weekblad met Salman Rushdie. De man die jarenlang ondergedoken leefde nadat ayatollah Khomeini een fatwa over hem uitsprak, herkent in de reacties na Parijs de reactie in New York na 9/11. ‘Ik vind het bewonderenswaardig hoe snel de Parijzenaars opnieuw terrasjes begonnen te doen.’

In Rushdies nieuwe boek, Twee jaar acht maanden en achtentwintig nachten, handelt de djinn Zumurrud in opdracht van de puriteinse filosoof Ghazali ‘die het liefst alle vreugde tot as zou doen vergaan’. Hij stuurt ‘een moordzuchtige bende nitwits’ uit. Ze gruwen van ‘schilderkunst, beeldhouwkunst, muziek, theater, film, journalistiek, hasj, stemmen, verkiezingen, individualisme, afwijkende meningen, plezier, geluk, biljarttafels, gladgeschoren kinnen (bij mannen), vrouwengezichten, vrouwenlichamen, vrouwenscholing, vrouwensport, vrouwenrechten’.

Het vat zo’n beetje samen waarop ook in Parijs is geschoten.
‘Plezier is de vijand. Wat de aanslagplegers zo ondraaglijk vinden, is dat mensen zich amuseren. Ze sloegen toe op plekken waar jongeren met de meest diverse achtergronden samenkomen voor het plezier.’

‘Er spreekt een extreem puritanisme uit de ideologie die we hier aan het werk zien. Mensen die vrouwen kidnappen, verkrachten en tot seksslaven maken, noemen Parijs een stad van prostitutie. De hoofdstad van gedwongen prostitutie is vandaag nochtans Raqqa.’

Toch is Twee jaar acht maanden en achtentwintig nachten een lichtvoetig boek. 
‘Het is bizar optimistisch, ja. Ik heb het dan ook een beetje gehad met al die dystopische boeken. Zelfs kinderliteratuur gaat tegenwoordig alleen maar over ellende. Het begint slecht, het wordt nog wat slechter en dan volgt er een bad ending. Dat boek wilde ik niet schrijven.'

Rushdie weigert te geloven dat de radicalisering uitsluitend toe te schrijven is aan discriminatie en uitzichtloosheid.

'Hoe komt het dat in hetzelfde dorp waar mensen onderhevig zijn aan dezelfde sociale, economische, militaire en politieke krachten, de een jihadist wordt en de andere niet? Ik denk dat u het antwoord in het karakter van het individu moet zoeken. Sommigen zijn nu eenmaal vatbaarder voor geweld. Ik weet dat ik het niet zou kunnen. U zou mij nooit kunnen overtuigen om iets nuttigs te doen met een kalasjnikov.’

En ook zelfcensuur is voor hem geen antwoord. ‘Na de aanslagen op Charlie Hebdo ergerde ik mij aan enkele vrienden die vonden dat PEN (de wereldwijde schrijversvereniging, red.) het blad niet moest eren. Dat er grenzen waren aan de vrijheid van meningsuiting. Wel, die zijn er niet. Ik verdraag de suggestie niet dat de tekenaars van Charlie Hebdo de aanslag van 7 januari ook een beetje zelf gezocht hadden.’

In dS Weekblad vertelt Rushdie nog veel meer over jihadisme en over humor, over religie, over zijn boek en over zijn ambigue relatie met Twitter