‘De Bataclan, dat is mijn wereld’
‘Wat moet iedereen afgrijselijk bang geweest zijn, wat moeten de schoten koud en hard gegalmd hebben onder de gewelven van dat hoge plafond.’

Weer was Bent Van Looy er niet bij toen de waanzin de Parijse avond bruut aan stukken scheurde. Weer was hij opgelucht zich veilig te weten. Weer was zijn hart daar.

Voor de tweede keer was ik niet in de buurt toen Parijs, mijn stad – nee, mijn buurt – ten prooi viel aan zinloos geweld. De aanslag op Charlie Hebdo moest ik volgen vanuit Zwitserland, vreemd ver weg van mijn vrienden op de Place de la République, de straten en de verkeerspaaltjes, ineens bedekt met bloemen en knuffeldieren, zo vreselijk vertrouwd op korrelige nieuwsbeelden.

Ik voelde mij nutteloos en een beetje lullig. Mijn lijf lag dan wel in een Zwitserse zetel naar de televisie te kijken, mijn hart waarde rond door de stegen van het onzième, koortsachtig op zoek naar bekende gezichten, vertrouwde straathoeken, snakkend naar woorden die deze waanzin moesten verklaren.

Waar het het meest pijn doet

Ook vrijdagavond troffen de moordenaars Parijs daar waar het het meeste pijn doet, recht in het kloppende hart, in de levendige bars en restaurants van het 10de arrondissement, waar het leven goed is, de mensen jong zijn en het bier goedkoop.

In ‘Le Petit Cambodge’ moet je zijn voor een kom heerlijke pad thai of pikante lenterolletjes. Recht daartegenover is de Carillon, een oud hoekcafé waar hipsters en toeristen het soms luidkeels op een zingen zetten, altijd reggae, het terras steevast bedekt onder een smerige laag platgetrapte pindanootjes.

En in Bataclan, godverdomme, die legendarische zaal met de bontgekleurde gevel waar ik iedere ochtend langskom, op weg naar de gym. Ontelbare keren stonden mijn vrienden en ik hier aan te schuiven onder het gele licht van het ouderwetse billboard boven de deur, vaak in een lange rij, soms op de guestlist, om onze lievelingsbands aan het werk te zien. De Bataclan, dat is onze zaal, de Bataclan, dat is mijn wereld.

‘Ik speelde er de ziel uit mijn lijf’

Ik ken er de nauwe gangen naar de backstage, de vochtige muren van de toiletten en de sierlijke ornamenten aan het plafond aan de bar. Ik speelde er de ziel uit mijn lijf op dat hoge, houten podium waarvan je – als je niet oplet– zo hard kunt vallen.

Ik doe mijn ogen dicht en zie de gangen zo voor me, voel de harde stoelen onder mijn kont en ruik het verschaalde bier op de balkons. De balkons vanwaar gisteravond een paar jonge mannen koelbloedig het vuur openden op de deinende menigte.

Een regen van kogels doorboorde de lichamen van mannen en vrouwen die even voordien nog helemaal in vervoering stonden te genieten van de sexy klanken van Jesse ‘The Devil’ Hughes en zijn Eagles of Death Metal.

Koude en harde schoten

Wat moet iedereen afgrijselijk bang geweest zijn, wat moeten de schoten koud en hard gegalmd hebben onder de gewelven van dat hoge plafond. Allemaal dingen die door mijn hoofd schoten toen ik vannacht, met tranen in de ogen, naar huis reed na een lange televisieopname.

Weer was ik er niet bij toen de waanzin de Parijse avond bruut aan stukken scheurde. Weer was ik opgelucht me veilig te weten. Maar weer was mijn hart al lang ginder, aan de oevers van Canal Saint-Martin, radeloos ijsberend langs de gevels van mijn quartier.