De Belgisch varkens krijgen buitensporig veel antibiotica toegediend. Zo werkt de varkenssector antibioticaresistentie in de hand. Gevolg: veel pasgeboren biggen zijn al drager van resistente bacteriën.

In de Belgische varkenssector, de grootste tak van onze vleessector, krijgen varkens gemiddeld op 20 procent van hun levensdagen antibiotica, ook al zijn ze niet per se ziek. Dat blijkt uit het doctoraatsonderzoek van Bénédicte Callens, dat ze vandaag aan de UGent verdedigt.

In 98 procent van de vijftig bedrijven die Callens bezocht, bleken gezonde varkens in groep behandeld te worden met antibiotica. De cijfers slaan weliswaar op het jaar 2010 en de sector heeft inspanningen geleverd om het antibioticagebruik aan te pakken, maar er zijn weinig aanwijzingen dat het tij echt gekeerd is. Recent nog raakte bekend dat de verkoop van antibiotica in de Belgische veeteelt gestegen is.

‘Kritisch belangrijke’ antibiotica

Volgens het onderzoek van Callens gebruiken de varkenshouders niet alleen veel, maar zeer vaak ook ‘kritisch belangrijke’ antibiotica. Dat zijn middelen die eigenlijk voorbehouden zijn voor de behandeling van infecties met resistente bacteriën waartegen geen andere antibiotica helpen. Voor preventie van ziektes zouden ze dus taboe moeten zijn, juist om ze te sparen voor noodgevallen. Toch worden ze gemiddeld op ruim 40 procent van de dagen dat varkens antibiotica krijgen, toegediend.

Het gevolg van het overmatige antibioticagebruik is dat veel varkens drager zijn van resistente bacteriën. Bovendien blijkt slechts 26,3 procent van de pasgeboren biggen niet besmet te zijn met E.coli-bacteriën, die resistent zijn aan één of meer antibiotica. Het merendeel van de biggen krijgt de resistente bacteriën dus over van de moederdieren.

In het volledige artikel in De Standaard verneemt u waarom de varkenshouders niet de enige verantwoordelijke voor het antibioticaprobleem zijn en welke risico's die resistentie inhoudt.