POSTUUM. André Leysen bepalend voor bedrijfsleven en maatschappelijk debat
André Leysen (links) in de jaren tachtig, in gesprek met de toenmalige De Standaard-hoofdredacteur Lode Bostoen en premier Wilfried Martens. Foto: Eric Peustjens
Zijn naam is als Vlaamse captain of industry onlosmakelijk verbonden met de geschiedenis van bedrijven zoals Agfa-Gevaert, Ahlers en De Standaard. Maar André Leysen speelde decennialang ook een vooraanstaande rol in het politieke, maatschappelijke en economische debat in dit land.

In 1976 redde hij, samen met enkele andere Vlaamse industriëlen, de krantengroep De Standaard, een week nadat die failliet was verklaard. Op enkele maanden tijd groeide André Leysen daarmee uit van een relatief onbekende Antwerpse havenondernemer tot een publieke figuur met nationale bekendheid. Nochtans was hij toen al bijna vijftig, en had hij al een ondernemerscarrière van bijna dertig jaar achter zich. 

Zijn carrière had Leysen tot dan vooral uitgebouwd bij Ahlers, het havenbedrijfje van zijn uit Bremen stammende schoonfamilie. Zelf was hij daar aan de slag gegaan in 1953, twee jaar na zijn huwelijk met Anne Ahlers. Met zijn ondernemende geest bouwde hij de aanvankelijk kleine scheepsagentuur uit tot een grote rederij. In 1970 verkocht hij de meerderheid in het familiebedrijf aan het Duitse conglomeraat Stinnes.

Gevaert

In 1978 werd André Leysen voorzitter van het directiecomité van Agfa-Gevaert. Om het bedrijf in 1981 van de ondergang te redden overtuigde Leysen Bayer om een forse kapitaalsverhoging door te voeren, Die beslissing werd hem in Vlaanderen niet in dank afgenomen: hij kreeg het verwijt dat hij het Belgische kroonjuweel had toegespeeld aan zijn ‘Duitse vrienden’.

Na de verkoop van Agfa-Gevaert was Gevaert een puur financiële holding geworden, met onder meer een aanzienlijk belang in Bayer. Terwijl de meeste ‘oude’ Belgische holdings vooral in Frankrijk investeerden, focuste Gevaert zich meer op Vlaamse, maar ook op Nederlandse en Duitse ondernemingen zoals Aegon en Hapag-Lloyd. Dat was onder meer een gevolg van Leysens talrijke connecties in Nederland en, vooral, in Duitsland, zijn tweede Heimat.

Dat netwerk leverde hem zitjes op in de bestuursraden van onder meer Philips, BMW, Deutsche Telekom en E.ON. Zijn uitstraling in Duitsland was zo groot dat hij in 1990 als enige buitenlander lid werd van de Treuhandanstalt, de instelling die belast werd met de verkoop van de voormalige Oost-Duitse staatsbedrijven. Een Duits tijdschrift gaf hem op een bepaald moment zelfs een plaatsje op de lijst van de honderd machtigste mensen van het land.

In 1997 bracht Leysen de holding Gevaert onder bij de Almanij-Kredietbank-groep, die later met de spaarbank Cera en de verzekeraar ABB van de Boerenbond zou versmelten tot KBC. Als gevolg van die bundeling van de ‘drie pijlers van het Vlaamse kapitalisme’, versterkte de familie Leysen haar gewicht in het aandeelhouderschap van KBC. Thomas, de tweede zoon van André Leysen, is nu voorzitter van de financiële groep.

Generale Maatschappij

Niet alle zakelijke demarches van André Leysen werden evenwel een succes. In 1988, tijdens de strijd om de Generale Maatschappij van België, slaagde hij er bijvoorbeeld niet in om dat bolwerk van het Belgische kapitalisme te ‘verankeren’ in ons land. Voor Leysen was de mislukking echter relatief: hij was weliswaar niet geslaagd in zijn opzet om de Generale in Belgische handen te houden, maar financieel was hij zeker niet slechter geworden van de overnamestrijd.

Erger voor hem was, eind jaren negentig, het debacle van de Duitse groep Holzmann. Gevaert had in 1998 een belang van 30 procent in Philipp Holzmann AG gekocht, en werd zo de belangrijkste aandeelhouder van de op een na grootste Duitse bouwgroep. Nauwelijks een jaar later ontdekte Leysen dat Holzmann, als gevolg van slecht management, zware financiële problemen had, maar dat die voor hem verborgen waren gehouden. Holzmann ging uiteindelijk failliet, wat Gevaert miljarden (Belgische frank) kostte.

Politiek

Dat André Leysen vooral vanaf de tweede helft van de jaren zeventig op de voorgrond begon te treden, was niet toevallig. Het land verkeerde op dat moment in een diepe crisis.Leysen spaarde zijn kritiek op de gang van zaken niet. Hij maakte, in toespraken en opinie-artikels, vlijmscherpe analyses van de politieke, sociale en economische situatie van het land, en waarschuwde herhaaldelijk voor een ineenstorting van de economie. Leysen vond dat er ingegrepen moest worden, met harde maatregelen, voor het te laat zou zijn.

VBO

Leysen engageerde zich daarom in het bedrijfsleven. In 1984 werd hij voorzitter van de werkgeversfederatie VBO, en kreeg daarmee een forum om zijn standpunten te vertolken en te wegen op de besluitvorming. Wat hij ook niet naliet te doen, soms tot verbijstering van de vakbonden en de media.

Leysens maatschappelijke engagement beperkte zich echter niet tot het politiek-economische, maar uitte zich ook op het culturele vlak. Zo steunde hij, na de val van de Muur, genereus de wederopbouw van de verwoeste Frauenkirche in Dresden. In eigen land was hij jarenlang voorzitter van de Munt, de nationale opera die hij op verzoek van de regering grondig saneerde, en de Singel. Hij was ook de bezieler van het Rubenianum.

Parkinson

Twintig jaar al leefde Leysen met de ziekte van Parkinson. ‘Maar eigenlijk is dat een sympathieke ziekte’, zei hij zelf enkele jaren geleden, in de marge van een van de laatste interviews met deze krant. ‘Je gaat er niet van dood, je gaat er mee dood. Het doet geen pijn. En je kan er in grote mate je gewone bezigheden mee voortzetten. Ik heb jaren geleden dan ook beslist dat ik eigenlijk niet ziek ben.’