Waarom we ons B.B. King mogen herinneren
Foto: photo news
Jongere muziekfans kennen B.B. King wellicht vooral van zijn machtige verschijning en dito gitaarspel op 'When love comes to town', een song uit 1989 van U2. Daarmee stond hij voor het eerst in twintig jaar weer in de hitparade, de plek waar zoveel van zijn 'leerlingen' zijn plaats hadden overgenomen. Want B.B. King, die gisteren overleed op 89-jarige leeftijd, was dé brug van de Afro-Amerikaanse blues naar een blank publiek.

Hij werd geboren als Riley B. King op een plantage in Mississippi. Tussen 1948 en 1952 was hij radio-deejay op WDIA, de eerste belangrijke radiozender die helemaal op een zwart publiek gericht was. Hij heette er 'de Beale St. Blues Boy', wat dus 'B.B. King' werd. Hij leerde er heel veel muziekstijlen kennen, maar ook goed praten.

Dat was King's belang: hij zoog de blues op uit zijn omgeving, werd bijgestuurd door legendarische leraars, maar boetseerde toch vooral zelf een unieke stijl uit de bekkens van jazz, country, gospel. Het is die mengvorm die hem later tot dé ambassadeur van de blues maakte bij een blank publiek, dat het moeilijker had met de veel lokaler stijlen van Muddy Waters of Howlin Wolf.

Als zanger was hij schatplichtig aan de gospel, als gitarist was hij vooral een leerling van T-Bone Walker. King speelde en zong alsof muziek gesmolten goud was. Hij speelde de noten heel snel, wat hij soms toeschreef aan het voorbeeld van de Belgische zigeuner Django Reinhardt, en versierde er zijn stem mee.

Zijn succes begon in 1949, en het leverde hem eindeloze concertreeksen op (in 1956 speelde hij zo'n 350 concerten).

Maar de echt grote doorbraak kwam er vanaf 1966, net toen zijn vlam weer aan het doven was. In Groot-Brittannië keken jonge muzikanten hongerig naar de blues als een onversneden inspiratiebron, en ze pikten er snel B.B. King uit. Het zette hem definitief op de kaart, en vandaag wordt B.B. King beschouwd als een van de grote muzes voor Eric Clapton., Stevie Ray Vaughan, Jimmy Page (Led Zeppelin), Jimi Hendrix en eigenlijk elke muzikant die blues speelt.

Hij werd ook echt de ambassadeur van het genre, een man die ondanks diabetes schier onvermoeibaar bleef spelen op zijn Gibsongitaar ('Lucille') en zichzelf bijschaafde, en niet alleen in de muziek (hij had ook een brevet als piloot).  King speelde op alle grote festivals voor blues en jazz, was vaak te zien op televisie, en acteerde.

Hij wilde voor de blues zijn wat Frank Sinatra voor de jazz geweest was en Beethoven voor de klassieke muziek. Hij won 15 grammies en was absoluut een instituut geworden. De jongste jaren speelde hij vooral in Las Vegas.