De benaming ‘dagboek’ voor deze blog mag niet letterlijk begrepen worden. Vorige week beperkte ik me tot een stukje paasnostalgie (en 1 brokje chocolade), donderdag verschoof ik mijn focus van mijn scherpere lijn naar een scherper zicht (dankzij een oogoperatie) en het voorbije weekend supporterde ik in Parijs voor dochter Lotte die er de marathon liep.

Telkens wanneer Lotte een marathon loopt, gaan haar ouders mee op citytrip. Moeder staat op afgesproken plaatsen langs het parcours met een plakkaat te zwaaien en vader fotografeert behalve Lotte de hele bonte bende ‘marathoniens’ (zoals die in het Frans heten). Sinds anderhalf jaar (New York) staat ook Lotte’s lief Thomas mee aan de kant; als ik onze marathonien zie en aanmoedig, zet hij, een paar meter na mij, zich schrap om haar een sportgel aan te geven, even mee te lopen en te horen hoe het gaat.

Zondag waren we dus in Parijs, en toen Lotte rond 9u startte op de Champs Elysées, waren wij, scenario op zak, al vertrokken naar meetingpoint 1, Château de Vincennes, een metrorit zonder overstap, ginder een eindje stappen naar de bocht waarin Lotte tegen 10u tussen de duizenden lopers ging opdoemen. Zonnig weer, veel volk, vrolijke sfeer, roffelende trommels, handig voor mijn gezwaai, en daar kwam ze eraan, van ver terugzwaaiend. Allez-y, en avant, bravo! En hup, wij het eindje terug naar de metro, trap af, trap op, de metrogangen door, eruit aan de Bastille, het plein rond naar de bocht van meetingpoint 2, klappen voor iedereen, uitkijken naar Lotte, daar is ze, het gaat goed, 22 km (van de 42,195) zitten erop, nu dalen naar de Seine. Wij in alle haast, metrorit met overstap, trappen op, trappen af, hollend en slalommend door de gangen, eruit aan Trocadéro, de esplanade over en afdalen naar de Eiffeltoren, Thomas raprap, ik behoedzamer (want vallen bederft de pret). Vader gaat nu niet langer Lotte en wel de bevoorrading van de lopers fotograferen (zie dS Weekblad 18/4), het scenario voorziet trouwens dat we misschien toch te laat arriveren aan meetingpoint 3, ter hoogte van de Eiffeltoren. Dat móet wel het geval zijn aan de er passerende lopers te zien, niet Lotte’s categorie en ritme. Thomas snelt de trappen naar Trocadéro terug op, ik wuif hem uit naar de finish, klim en wandel op mijn tempo naar daar, zie aan de Porte Dauphine, vlak voor de rechte lijn naar het eind, Lotte toch nog opduiken uit het Bois de Boulogne en kan haar dit keer verrassen met mijn aanmoediging. Terwijl Thomas haar km 42 ziet overschrijden en aan de Arc de Triomphe gaat opvangen, zet ik me nagenietend in het gras; het is rond 13u en we verzamelen pas om 14u30 om te lunchen in Beaubourg.

Toch even via de Fit-app op mijn gsm checken hoeveel stappen ik al heb gezet. De naar verluidt 10.000 levensnoodzakelijke stappen per dag haal ik zelden of nooit, zelfs 5000 blijft moeilijk in mijn te zittende leven. Maar wat zie ik nu, daar zittend in het gras? Ik ben de 10.000 al voorbij! Dat komt van al die eindjes, metrogangen, pleinen en trappen (in plaats van de roltrappen). En al even verwonderlijk: ik voel die 10.000 niet, kan nog uren stappen! Dat komt ervan als je minder gewicht te verplaatsen hebt en door gezond te eten meer energie genereert.

De dag is halverwege, en die nog uren stappen komen er zelfs nog van, tot en met naar de nieuwe attractie van Parijs, het verbluffende Vuitton-gebouw van architect Géhry. Bij het slapengaan klokt mijn stappenteller van zondag 12 april af op zo maar eventjes 28.243 – weliswaar níet over te dragen naar volgende dagen.

Dit is dag 26 van maand 2 en mijn focus verschuift van mijn scherpere lijn, die zich vanzelf aftekent, naar mijn beweeglijker leven, dat me één mooie dag vanzelf lukte.