Was het ‘zever’  over de  elektrische wagen?
Tom Naegels

De elektrische wagen doet het wat fijn stof betreft amper beter dan een benzine-auto, kopte deze krant onlangs. Dat klopt ook, maar dat hij globaal gezien nog steeds een milieuvriendelijker alternatief is dan de benzinewagen, had voor Tom Naegels wat duidelijker mogen worden vermeld.

Dat de elektrische auto nauwelijks minder fijn stof uitstoot dan een nieuwe benzinewagen, het was vorige week opmerkelijk eigen nieuws op de voorpagina (DS 10 november) . Maar het rapport van Transport & Mobility Leuven, waaruit De Standaard citeerde, werd ook meteen betwist – in harde bewoordingen. ‘Niet gebaseerd op de juiste wetenschappelijke methode’, schreef professor Joeri Van Mierlo, die aan de VUB onderzoek doet naar elektrische voertuigen, op zijn blog. ‘Een erg fout en tendentieus rapport’, vond Ronnie Belmans, hoofd van EnergyVille, een spin-off van de KU Leuven, in een e-mail aan de redactie. Hij forwardde ook een lange lijst met opmerkingen van zijn collega Niels Van Leemput, ook KU Leuven, waarin aan het eind het woord ‘zever’ viel. Beide mails waren ook naar De Tijd gestuurd, die ze verwerkte in de fact check-rubriek ‘D-facto’: de studie trekt ‘de milieu-impact van elektrische auto’s in twijfel met een bedenkelijke rekentabel van enkele lijntjes’.

Enkele lezers mailden me: had de krant zich in de luren laten leggen? Wel: nee, toch niet, op voorwaarde dat je goed begreep wat er precies gemeten is. (Het wordt wat absurd om een fact check te maken van een fact check, maar volgens mij hebben de collega’s van De Tijd te eenzijdig naar de tegenstanders geluisterd.) Het rapport bekeek immers slechts één onderdeel van de problematiek: een vergelijking van de emissies van primair fijn stof door elektrische en nieuwe, lichte conventionele auto’s in de stad. Primair fijn stof wordt rechtstreeks door de auto uitgestoten, door de uitlaat of door slijtage van onder meer banden en remmen. Omdat de uitlaatemissies door de fel verbeterde technologie haast geen rol meer spelen, komt het leeuwendeel van slijtage. Dat is niet anders voor elektrische wagens.

De hele levenscyclus

De afwijzende reacties kwamen er omdat men de indruk had dat het rapport, en dus De Standaard, een veel ruimere conclusie wilde trekken dan die focus op primair fijn stof toeliet: dat overschakelen op elektrisch vervoer globaal en op lange termijn niet milieuvriendelijker zou zijn, of dat we beter ophouden met investeren in elektrische technologie, of... Als je dát wil weten, zo betoogt Joeri Van Mierlo, moet je een hele levenscyclusanalyse maken, en volgens zijn onderzoek komt de elektrische wagen daar beter uit.

Bij zo’n analyse kijk je niet alleen naar primair fijn stof, maar ook naar andere schadelijke stoffen en gassen, zoals CO2 of secundair fijn stof, dat in de atmosfeer ontstaat door chemische reacties van onder meer uitlaatgassen. En dan zijn er nog de emissies die ontstaan tijdens het productieproces van de auto’s, tijdens het opwekken van de elektriciteit voor de elektrische wagen en tijdens het raffineren van de aardolie voor de benzinewagens. De krant liet Van Mierlo donderdag aan het woord, al was dat opvolgingsstuk naar mijn smaak te kort, en verschenen beide stukken te verspreid om de betekenis van het verschil in aanpak goed te kunnen begrijpen.

Want wat ik begrijp, is dat het wel zin heeft om alleen naar dat primaire fijn stof te kijken. Dat heeft immers een onmiddellijk effect op de gezondheid; primair fijn stof heeft een sterke lokale impact. En in steden komt het geconcentreerd voor. (Secundair stof wordt meer verspreid, de emissies van olieraffinaderijen zijn helemaal veraf.)

Redacteur Stijn Cools, die het stuk schreef, zegt me dat hij drie keer om een second opinion heeft gevraagd: bij milieubioloog Tim Nawrot (UHasselt), bij de Bond Beter Leefmilieu en bij Frans Fierens, fijnstofspecialist van de Intergewestelijke Cel voor het Leefmilieu. Alle drie, zegt Cools, bevestigden ze dat de analyse steek houdt. Als ik Fierens bel, herhaalt die dat hij ‘volledig akkoord’ gaat met de conclusies over primair fijn stof. ‘Al gaat het bij luchtvervuiling natuurlijk om meer dan dat. Toevallig las ik net een nieuw wetenschappelijk artikel, waarin berekeningen voor Madrid en Barcelona hetzelfde resultaat opleveren: mocht het wagenpark voor 40 procent elektrisch worden, dan heeft dat weliswaar positieve effecten op de luchtkwaliteit – stikstofdioxide en koolstofmonoxide dalen significant – maar het aandeel van fijn stof daalt nauwelijks. Dat is geen verrassende conclusie. Nieuwe technologieën zoals elektrische voertuigen zijn een deel van de oplossing voor luchtverontreiniging, maar ze lossen zeker niet alles op. En ze staan ook in de file.’

Cools zegt me dat hij die nuances ook in zijn stuk heeft gezet. Ze staan er wel, dat klopt: in een stedelijke omgeving, geen secundair fijn stof. Maar journalisten denken naar mijn smaak soms te snel: het staat er toch? Als leek die niet wist dat dat hele belangrijke toevoegingen waren, die de reikwijdte van het nieuws significant inperkten (maar het daarom niet irrelevant maakten), vind ik dat het explicieter had gemogen.

Lezers tasten vaak in het duister over de implicaties van nieuws: wat kan die elektrische wagen nu wel, en wat kan hij niet betekenen voor onze gezondheid, onze energiebevoorrading, en het klimaat? Zeker omdat het over een onderwerp gaat dat heftige debatten oproept, en omdat de plaatsing op de voorpagina ook de verwachting wekt dat de politieke impact van dit nieuws heel groot zal zijn, was het goed geweest om die vragen meteen heel didactisch te beantwoorden.

INFO

De ombudsman houdt de redactie van De Standaard wekelijks een spiegel voor. Opmerkingen over journalistiek in De Standaard kan u melden via ombudsman@standaard.be en via www.standaard.be/ombudsman, waar u ook links vindt naar zijn Facebook- en Twitterpagina (@OmbudsDS)