Waarde Heer Libeer,
Anne Teresa De Keersmaeker en Tale Dolven in ‘Fase’. Foto: blg

‘Zonder subsidies heb je ook cultuur’, zei Jo Libeer deze week tot de kunstensector. En ook: laten we erover voortpraten. Josse De Pauw wil best op de uitnodiging ingaan. Maar bij wijze van opstapje wil hij vooraf al een en ander kwijt. Over sectoren, subsidies en samenleven.

Het streelt mijn ijdelheid dat u mij absolute wereldtop noemt in uw artikel (DS 8 oktober). Gelukkig weet ik, dat in uw sector de overdrijving al evenmin geschuwd wordt als in de mijne. Zelf zou ik voor een andere omschrijving kiezen, niet uit bescheidenheid, maar omdat ik in al die jaren zoveel wereldtop tegen het lijf ben gelopen, dat het woord nogal wat van zijn pluimen verloren heeft. En mocht er chauvinisme in het spel zijn, dat heb ik altijd al een wat amechtige uiting van domheid gevonden. Voelt u zich alstublieft niet beledigd, leest u verder.

De waarheid is een stuk eenvoudiger: ik ben een zelfstandige die werk vindt bij huizen die meestal deels gesubsidieerd zijn, zoals dat voor zovelen onder ons in deze samenleving het geval is. Ook al weten zovelen onder ons in deze samenleving al lang niet meer dat de bedrijven of huizen waarvoor ze werken, evengoed subsidie ontvangen. Er bestaan veel synoniemen voor dat woord.

Vandaar dat er af en toe een grote mond wordt opgezet: alleen zonder subsidies werk je écht! Het is de ongegronde trots die hier en daar zelfs in de rock-’n-roll en de cinema leeft. Terwijl, in dat geval, voor de enen de zalen en festivals waar ze zo graag optreden niet zouden bestaan, en voor de anderen de overgrote meerderheid van de films niet gedraaid zou kunnen worden. Verder ben ik ervan overtuigd dat u in uw omgeving ook nogal wat gesubsidieerd volk kent, die deze steun van de samenleving weliswaar niet als subsidie ervaren. Bon, soit! Ik, onnozele hals, wéét dat mijn werkgevers doorgaans gesubsidieerd worden, waardoor er in de loop der jaren een iets genuanceerder begrip van dat woord is gerijpt.

In moeilijke momenten, Heer Libeer, denk ik wel eens: laten we die faculteit economie aan onze universiteiten maar afschaffen. Tenslotte hebben we met z’n allen veel geld uitgegeven aan de opleiding van economen van wie blijkbaar geen enkele de huidige crisis heeft zien aankomen, of als dat wel zo was, die in elk geval niet heeft kunnen voorkomen, waardoor we nu met z’n allen nog veel meer geld moeten uitgeven om ze op te lossen of althans moeizaam te stabiliseren. En vervolgens geven we, alweer met z’n allen, geld uit, om diezelfde economen op de nationale gesubsidieerde zender uitgebreid te laten verklaren hoe het zover is kunnen komen. Gepraat achteraf. Ik zeg dit alleen maar, Heer Libeer, om duidelijk te maken dat ik, vanuit mijn eigen denken in moeilijke momenten, ten volle begrijp dat u die hele cultuurhandel af en toe naar de haaien wenst.

Ik ben nog opgevoed met een bijenkorf, als embleem van de bank waarbij mijn vader werkte. Als zoemende bijtjes moesten we worden, sparen voor later. Elke maandag op school twintig oude Belgische franken op het bureau van de meester leggen, die dan een zegeltje in het spaarboekje kleefde. Wonderschoon begin van de week. Die bank heeft haar naam intussen al vier keer veranderd… wat zou dat willen zeggen? Als we het dan toch over subsidies moeten hebben, kunnen we maar best erkennen dat de laatste jaren niet één sector zo overvloedig gesubsidieerd is geweest als die van de banken? Maar op een of andere manier willen we dat geen subsidie noemen. Dat heeft te maken met het feit dat ons is ingeprent dat de bank even noodzakelijk zou zijn als de bakker, dat beide voorzien in een basisbehoefte, en kunst en cultuur doen dat blijkbaar niet.

Voor mij niet gelaten, Heer Libeer, maar het zal u niet verwonderen dat ik dat anders zie. En ik vind het bij die, voor mij onontbeerlijke, cultuur bovendien van even onschatbare waarde dat mensen enerzijds dingen te zien krijgen die hen vermaken en troosten, die hen geven wat ze er al weken van tevoren van verwacht hebben, die hen waar voor hun geld geven, om het met de terminologie van uw sector te zeggen, als dat anderzijds de mogelijkheid bestaat, dat ze dingen te zien krijgen waar ze het niet mee eens zijn, dingen die hen storen, die hen verwarren en waarover ze, zelfs als ze die niet te zien krijgen – als ze er niet voor uit hun kot komen of godbetert het geld niet hebben om er een kaartje voor te kopen – en er dus enkel en alleen maar over horen vertellen, zich druk kunnen maken. Het zal u, met uw kennis van de markt, niet verwonderen dat voor die laatste optie weinig producenten spontaan in actie komen. En dus vind ik dat vooral die laatste optie gesteund moet worden, omdat ze nodig is in een samenleving en het enkel op eigen kracht niet haalt.

De markt, Heer Libeer, kent u beter dan ik, maar we weten allebei dat een appel tegenwoordig al te vaak niet meer smaakt zoals hij hoort te smaken, maar dat hij er, wonderlijk en wel, een stuk beter uitziet dan vroeger. Dat komt ervan als verleiding de norm is. Als kind werd mij nochtans verteld, dat de wormstekige appels, die onder de boom voor het rapen lagen, de lekkerste waren. Omdat die beestjes, sneller dan wij, weten wat lekker is. De wormen weten intussen beter.

Kijk, Heer Libeer, dat soort onnozelheden vormt een mens.

U bent een romanticus, Heer Libeer, en geloof me, ik heb de neiging u daarvoor te prijzen, want als ik zelf een ondergaande zon zie of een volle maan, ben ik niet meer te houden. Maar in dit discours moeten we droog en sober blijven. We kunnen toch niet blij zijn met verkrotting, omdat lekkende zolderkamers kunstenaars zouden kunnen opleveren, die door de aanhoudende drup op hun schrijftafel of schildersezel tot creativiteit zouden worden aangezet? We willen toch ook niet terug naar de vochtige kamers waar erudiete geesten, tegen alles en iedereen in, lucide ideeën aan het papier toevertrouwen en daarvoor op de brandstapel eindigen? We willen toch een samenleving waarin al die verschillende manieren van denken worden gekoesterd? We willen toch niet leven in een wereld waarin iemand die de leiding wil nemen van die samenleving, Voka mijn baas noemt? Ik meen gelezen te hebben dat u daar niet blij van werd, sta mij dan toe er evengoed niet blij van te worden als u mij absolute wereldtop noemt. En al zeker niet als die uitspraak uw stelling moet dienen dat de kunsten beter af zijn met minder steun. Nogmaals: de waarheid is een stuk simpeler: niemand wordt beter of creatiever van tekort of gemis. U niet, een kunstenaar niet, een ondernemer niet, een asielzoeker niet, de goede huisvader niet, zelfs de koning niet.

Er wordt opvallend veel inkt en papier verspild aan die 0,7 procent van de begroting die aan kunst en cultuur wordt besteed. Dat geeft te denken. Ik ben geen mens van complottheorieën – al denk ik dat sommigen in deze wereld stiekem wel héél goed overeenkomen – maar als er op zoveel niveaus, zoveel energie wordt gestopt in een haast te verwaarlozen percentage van het geld waarmee de samenleving draaiende wordt gehouden, dan moet u mij mijn argwaan vergeven.

Ik heb er alle respect voor dat mensen willen behouden wat ze hebben en verdedigen waar ze zich goed bij voelen. Opvallend is, wat ten overvloede blijkt, dat velen zich niet écht goed voelen, al leven ze statistisch in de beste der werelden. Dat zegt vooral veel over de statistiek. Een mens kan ook verdrinken in een rivier met een gemiddelde diepte van een halve meter, weten we. Het is een wonder dat we nog met zoveel vertrouwen oversteken. We weten intussen dat een mens zich in elk geval beter voelt met een dak boven zijn hoofd, een gevulde maag en wat aandacht. Zou het kunnen dat we ons, los van die dwaze hang naar statistieken, niet zo goed voelen omdat we omringd worden door zovelen voor wie aan die elementaire behoeften niet is voldaan? En kunnen we dat dan niet gewoon proberen op te lossen? Is dat niet wat eerst en vooral moet gebeuren, in het algemeen belang? Of moeten we het toch, alvorens we daaraan beginnen, tot in den treure over kunst en cultuur hebben? Houden mensen van uw statuur niet beter een pleidooi tegen armoede?

Heer Libeer, ik heb er stilaan genoeg van dat het over kunst en cultuur moet gaan, het gaat over veel meer. De basis van onze samenleving is niet alleen maar de economie. Dat hoeft u niet te schokken. Ik heb ook moeten leren niet geschokt te zijn telkens als er gezegd wordt dat de kunsten niet meer zijn dan een linkse hobby. Ik onderschat de waarde van de economie niet, maar het is hoe dan ook de bonus voor een goed functionerende samenleving. Ik wil de bekwame ondernemer volgaarne bij kunst en cultuur rekenen, én bij onderwijs, én bij zorg. Maar u leeft, met alle respect, in de hogere regionen, net zoals onze huidige politici dat doen. Dat is geen verwijt, dat is een vaststelling. Weet iemand van die mensen hoe het klinkt, als ze de zogenaamde gratispolitiek voor dood verklaren? Beseffen ze dat iemand als ik alleen maar kan denken: het slag volk dat die stoere uitspraken doet, heeft in mijn sector nog nooit één ticket zelf betaald. Hun stoelen werden vrijgehouden en vaak arriveerden ze te laat (zodat iedereen hen kon zien binnenkomen). Als daarentegen mijn bloedeigen familie komt kijken, betálen ze hun tickets, al jaren. Duidt het me niet ten kwade, Heer Libeer, als ik de hogere regionen wantrouw. Niet als personen, maar als een categorie weg van de wereld.

U stelt de cultuur van Studio 100 als voorbeeld. Het moet mij van het hart: ik zag Gert Verhulst ooit in gesprek met Margriet Hermans. Ze lachten zich tezamen gezellig te pletter om het feit dat de heer Verhulst ooit geweigerd werd bij het toelatingsexamen aan het Conservatorium van Antwerpen. De heer Verhulst wou de studie Drama aanvatten en werd niet capabel bevonden. Lachen! (U weet vast nog wel hoe half Vlaanderen in paniek naar de volumeknop greep als Margriet Hermans ging lachen.) Maar hoe overtuigend er ook gelachen werd, uit alles wat ik de heer Verhulst in zijn loopbaan als acteur zag doen, bleek overduidelijk dat ze het daar, bij dat toelatingsexamen, correct hadden ingeschat. Wat uit zijn ganse levensloop verder blijkt, is dat de heer Verhulst een bekwame ondernemer is, maar kan je daarom in één zwaai ook het diploma van de Dramatische Kunsten opeisen? Ik hoop van harte van niet. Die arrogantie, Heer Libeer, stoort me.

Het is namelijk de arrogantie van de kijkcijfers. Moeilijke aangelegenheid. Zeg me, hoeveel mensen kunnen er in een zaaltje van 200? Niet meer dan 200, dus. En hoeveel in een zaal van 600? Dat zullen er 600 zijn, schat ik. Is dat genoeg? Nee? Zullen we ze afschaffen? Er kan gewoon niet genoeg volk in! Alles verkassen naar het Sportpaleis zodat het rendabel wordt? Maar als je daar voor 10.000 mensen wil spelen, moeten er wel pluimen in de kont, vuurwerk, videoschermen, do you feel alright, yéééé, orkesten met een zwaaiende Glorieux en, als hij betaalbaar is, een over-sympathieke Carl Huybrechts. Denk nu niet dat ik daar op neerkijk, het is eerder andersom. Maar een mens wil af en toe wat anders dan volgzaamheid. Intiemer misschien, avontuurlijker, zoekender, tegendraadser… allemaal vuile woorden, tegenwoordig, ik weet het. Wat ik wil zeggen is:

er is alles in de wereld, het is alles
de dolle hondenglimlach van de honger
de heksenangsten van de pijn en
de grote
gier en zucht de grote oude zware nachtegalen
het is alles in de wereld er is alles allen
die zonder licht leven
de in ijzeren longen gevangen libellen
hebben van hardstenen horloges
de kracht en de snelheid
binnen het gebroken papier van de macht
gaapt onder de verdwaalde kogel van de vrede
gaapt voor de kortzichtige kogel van de oorlog
de leeggestolen schedel
de erosie
er is alles
in de wereld het is alles arm en smal en langzaam geboren
slaapwandelaars in een koud circus
alles is in de wereld het is alles
slaap
Lucebert

Dat is van Lucebert, Heer Libeer, Lubertus Jacobus Swaanswijk, dichter, schilder, tekenaar, schrijver, muzikant… vorige eeuw… rouspétant!

Maar wat mij het meest verontrust, Heer Libeer, is dat we onderweg de nieuwsgierigheid naar het denken van de ander aan het verliezen zijn. Het is nochtans de verscheidenheid in het denken die onze passage op dit rondtollend stuk afval de moeite waard maakt. (Plots blijkt Dyab Abou Jajah een van onze interessantste politieke denkers te zijn.) Laten we praten, ja. Maar niet in Terzake of in eender welke Ideale Wereld. Praten mét elkaar. En met nieuwsgierigheid naar de gedachten van de ander. Als dat niet lukt, zullen er in deze fijne, stilaan al te propere samenleving, steeds meer mensen zijn die zichzelf redden, en er zullen er nog veel meer zijn die het niet halen. En als we even de tijd durven te nemen om na te denken, weten we allemaal: bij diegenen die het niet halen, moeten er ongetwijfeld een heleboel zitten die zouden kunnen bijdragen tot ons aller redding. Dat weten we zo goed, Heer Libeer. Maar zonder nieuwsgierigheid zal niemand daar ooit weet van hebben, wil niemand daar weet van hebben. Zonder nieuwsgierigheid verzuipen we met z’n allen, mokkend, in de eigen domheid. Leve de statistieken!

Met welgemeende groeten,

Josse De Pauw
 

De tekst van Jo Libeer net als reacties erop van actrice Maaike Neuville, van Rits-docenten Klaas Tindemans en Karel Vanhaesebrouck en van de ondervoorzitter van de beoordelingscommissie sociaal-artistiek werk Herman Peeters kan u lezen op www.standaard.be/libeersubsidies