Ik vraag een uitzondering
‘Kunst probeert de zinloosheid van het leven te bestrijden, met woorden, beelden, ideeën, teksten en kunstwerken.’. Foto: isopix

De subsidies voor de cultuursector zijn een minimale fractie van de totale Vlaamse begroting. Is het dan zo’n onredelijke vraag om die 0,7 procent van de middelen uit de centenlogica te houden, vraagt Christophe Van Gerrewey.

Wie? Auteur van onder meer ‘Trein met vertraging’ (De Bezige Bij, 2013).

Wat? Kunst heeft net als taak om een plek te creëren waar financiële overwegingen niet van tel zijn.

Tegen de suggesties die Jo Libeer aan ‘de cultuursector’ presenteerde (DS 8 oktober) , is nauwelijks verweer mogelijk. De 0,7 procent van de Vlaamse begroting die aan cultuur wordt besteed, is volgens hem te veel, en publiek geld investeren in kunst mag alleen als cijfers en rapporten een ‘maatschappelijke meerwaarde’ aantonen.

Maar dat is onmogelijk. De economische bedrijfslogica toepassen op literatuur, theater en kunst is als eisen van voetballers dat ze op het eind van de maand een reeks filosofische inzichten in een correct historisch kader plaatsen. In een moderne, democratische en pluralistische samenleving heeft elk onderdeel een functie, en die verschilt grondig – gelukkig en terecht.

Kunst dient niet om ‘succesvol te scoren’, niet om zo veel mogelijk mensen te lokken, niet om klanten tevreden te stellen, niet om winst te maken, niet om ‘returns te laten terugvloeien’ – en ook niet om als lage rugpijn zo ‘internationaal mogelijk uit te stralen’. Kunst en cultuur zijn er voor het tegendeel: om een plek te creëren waar die financiële overwegingen niet gelden.

Wat is er dan wel van tel? Datgene wat door Libeer als afwezig wordt beschouwd: zichzelf en de wereld in vraag stellen. Kunst dient om kritiek mogelijk te maken, om het gesprek te organiseren over maatschappelijke thema’s die in kunstwerken aan de orde zijn, en over de kwaliteit die we van kunst verwachten.

Klein taalgebied

Eveneens in de krant van gisteren schrijft Marc Reynebeau terecht dat die rationele argumentatie ‘de essentie is van het cultuurdebat’. Hij voegt daaraan toe: ‘Alleen voert de culturele sector dat gesprek te weinig en op een te weinig open manier.’ Dat is pertinent onjuist. Wordt in De Standaard niet rationeel over kunst gedebatteerd, of vallen volgens Reynebeau de cultuurpagina’s samen met irrationeel consumentenadvies? En bestaan er in Vlaanderen geen tijdschriften waarin diepgaand over cultuur wordt gediscussieerd, waarin de ‘sector’ voor de spiegel gaat staan, en waarin alles omtrent kunst in vraag wordt gesteld – zoals Etcetera, De Witte Raaf, DWB, nY, De Reactor, Rekto:verso, Ons Erfdeel en Kunsttijdschrift Vlaanderen? Het zijn tijdschriften die gratis verdeeld worden of die een fractie van een krantenabonnement kosten. En het zijn tijdschriften die gesubsidieerd worden omdat het Nederlands taalgebied helaas klein is. Een literair tijdschrift in Groot-Brittannië kan gekocht worden door 335 miljoen mensen met het Engels als moedertaal, en door wereldwijd 2 miljard Engelstaligen. Is het dan zo raar dat Ons Erfdeel subsidies krijgt, als zelfs The London Review of Books nauwelijks zelfbedruipend is? Of zullen we voortaan allemaal Engels spreken, en samen naar Game of thrones kijken?

Je moet ernaar zoeken, je moet er moeite voor doen en tijd voor maken, maar ook in de Nederlandse taal wordt cultuur geanalyseerd en bekritiseerd – niet in cijfers maar in woorden. Het gaat niet om inkomsten en uitgaven te vergelijken, niet om sterren te geven, verkoopcijfers of bezoekersaantallen te noemen, maar om argumenten, ideeën, esthetische voorkeuren, inzichten en historische evoluties te beschrijven en te confronteren. Wat mij betreft, moet niet iedereen daaraan meedoen. Maar wie wil meedoen, mag een beetje moeite doen om zich in te leven in wat er op het spel staat. Is het te veel gevraagd dat iemand die zware publieke uitspraken doet over kunst en cultuur, eerst kennis heeft genomen van het kunstkritische debat en van de intellectuele tradities die gelden sinds de Verlichting en de Franse Revolutie?

Ik ga toch ook niet aan de leden van Voka zeggen hoe ze hun boekhouding en hun personeelsbeleid moeten organiseren? Ik vraag alleen om minder dan 1 procent van de begroting te besteden aan kunst en cultuur zonder economische voorkeuren te volgen.

Bittere voldoening

Dat percentage is extreem klein. Aangezien ‘het marktfalen steeds kleiner wordt’, zoals Libeer opmerkt, zal zonder subsidies dat percentage nog afnemen. Soms gaat van dat vooruitzicht een bittere voldoening uit: laten we ermee ophouden, niet meer ijveren voor wat durft af te wijken, voor wat niet door iedereen zonder inhoudelijke argumenten wordt geapprecieerd. Laten we er niet meer voor strijden om kunst en cultuur beschikbaar te houden, niet verplicht maar toegankelijk voor iedereen die een beetje moeite wil doen.

En dan herinner ik me weer hoe ik als Vlaamse tiener uitwegen ontdekte – hoe ik op inderdaad gesubsidieerde plekken, vaak bij toeval, geconfronteerd werd met kunst die ik voor onmogelijk of ondenkbaar hield, en met een cultureel en intellectueel leven dat opwindend leek, groots, niet zaligmakend maar alleszins de moeite waard. Daar gaat het om: een maatschappij in stand houden mét uitzonderingen en verrassingen, en met een minderheid die de zinloosheid van het leven probeert te bestrijden – niet met cijfers, spaarrekeningen en winstpercentages, maar met woorden, beelden, ideeën, teksten en kunstwerken.