Oorlogen met  een nieuw gezicht
Een pro-Russische separatist overziet de schade aan enkele appartementsgebouwen in Donetsk. Foto: Sergei Karpukhin/reuters

De tijd is voorbij dat oorlogen transparante conflicten tussen staten waren, schrijft Roger Housen. Vandaag hebben we te maken met verzetsbewegingen die met een combinatie van klassieke oorlogswapens en guerrillatechnieken een regime trachten omver te werpen. Zijn de westerse legers wel klaar voor die nieuwe hybride realiteit?

Wie? Kolonel stafbrevethouder. Bevoegd voor de langetermijnplanning van Defensie. Schrijft in eigen naam.

Wat? Het leger van de toekomst moet niet alleen militair sterk staan, maar vooral ook stabiliteit bieden om de bevolking van de belaagde regio een beter alternatief te kunnen geven.

De conflicten in Gaza, Oekraïne, Irak en Syrië vertonen nog weinig gelijkenis met de interstatelijke oorlogen die kenmerkend waren voor de 20ste eeuw. De recente confrontaties tonen aan dat zich een andere vorm van oorlogsvoering ontwikkelt, die eerder onconventioneel is.

Conflicten als deze zouden op korte termijn wel eens het sjabloon kunnen worden van de oorlogen van de toekomst. Zowel in het Midden-Oosten als in Oost-Oekraïne voeren opstandelingen een vorm van hybride oorlog. Die combineert het gebruik van traditionele militaire middelen met onconventionele geweldsvormen, waaronder terrorisme en criminaliteit. De rebellen bedienen zich van tanks en artillerie, maar ook van hoogtechnologische wapensystemen, naast technieken en middelen die eerder doen denken aan guerrillavoering. Het gebruik van geweld wordt geïntegreerd met niet-militaire middelen van oorlogsvoering, zoals cyberaanvallen en politieke, economische en diplomatieke maatregelen. Hun optreden wordt bovendien ondersteund door een uitgekiende strategische communicatie.

Iedere verzetsbeweging krijgt een vorm van steun van één of meerdere landen die wapens, advies en dikwijls financiële bijstand verschaffen. Omgekeerd gebruiken die landen de strijders als een soort onderaannemers voor hun eigen oogmerk. Het is oorlogsvoering via ‘derden’ – proxy warfare.

Gevechten in stedelijke gebieden worden het handelsmerk van de conflicten van de toekomst. Irreguliere troepen benutten steeds meer de bescherming die steden en de bevolking bieden. Zij maken intensief gebruik van het internet en de sociale media om hun gevechten te dirigeren. Bovendien rekruteren ze massaal medestrijders via gsm, Twitter en Facebook. Het is een echte cybermobilisatie, een elektronische levée en masse.

De controle over de plaatselijke bevolking is primordiaal. Het uitgangspunt van de opstandelingen is dat de tegenstrever moet ‘verslagen’ worden in de krachtmeting over de affiniteit van de bevolking om de strijd finaal te kunnen winnen. Zonder draagvlak bij de bevolking zijn immers geen vrijwillige wederopbouw, bestuurlijke veranderingen en duurzame conflictbeëindiging mogelijk. Verzetsbewegingen leveren levensmiddelen en staan in voor nutsvoorzieningen en de handhaving van de orde. Zo wordt er een stelsel van geborgenheid en veiligheid geschapen voor de bevolking, dat desgevallend met dwang wordt opgelegd. Het mag dan wel rudimentair zijn, maar wat ze bieden is in ieder geval beter dan wat de tegenpartij vermag. En zo verkrijgen de opstandelingen afhankelijkheid, en dus steun voor hun acties.

Nieuwe uitdagingen

Zo’n oorlogsvoering stelt ingrijpende uitdagingen, waarvan de draagwijdte nog niet altijd juist wordt ingeschat.

Zo geven talrijke westerse legers nog steeds de voorkeur aan hoogtechnologische wapensystemen. Het is nochtans maar de vraag of deze geavanceerde wapens het meest efficiënte antwoord vormen op de nieuwe dreigingen. Het gebruik van gesofisticeerde wapensystemen om ‘chirurgische’ aanvallen met beperkte risico’s uit te voeren, is immers enkel nuttig onder bepaalde voorwaarden. Het vereist de aanwezigheid van identificeerbare doelwitten die belangrijk genoeg zijn om ze aan te vallen met zulke dure wapens. Plus een tegenstrever die bereid is – of zo dom – om zich bloot te stellen aan die systemen. Slechts als iemand zich blijvend wil engageren om de veiligheid te garanderen in de conflictregio en een verspreiding van het geweld tegen te gaan, kunnen zulke wapens inderdaad zinvol zijn.

Maar zo’n scenario reflecteert steeds minder de realiteit. De actuele conflicten in de Europese periferie zijn daarvan het beste bewijs.

Hybride oorlogen doen nog andere kwesties rijzen. De afwezigheid van grootschalige conventionele troepenmachten en het gebruik van asymmetrische middelen, zoals cyberaanvallen, gewapende burgers, terroristische groeperingen en economische sancties, leggen de drempel voor een internationale interventie hoger. Een korte en ‘cleane’ tussenkomst met weinig slachtoffers wordt steeds minder haalbaar. Als een conflict geen existentiële dreiging vormt voor Europa, is de verleiding dan ook groot om de stelling dat onze eigen veiligheid in de eerste plaats buiten de eigen grenzen moet verzekerd worden, van tafel te vegen.

Het leger van de 21ste eeuw

Hybride oorlogen stellen ons voor heel wat uitdagingen. Erop hopen dat alle toekomstige opponenten zullen bestaan uit technologisch inferieure, conventioneel bewapende en vechtende strijders, is gevaarlijke nostalgie.

De vraag rijst of onze krijgsmachten uitgerust zijn voor de nieuwe oorlogsvoering. Als we nadenken over het type van leger dat we willen, dan mogen we ons niet laten bekoren door de belofte van snelle, risicoloze interventies op basis van zeer geavanceerde – en dus ook zeer dure – wapensystemen.

Legers moeten meer kunnen dan louter een tegenstander uitschakelen. Ze moeten hem ook van de bevolking kunnen vervreemden en de situatie stabiliseren, zodat economische en bestuurlijke wederopbouw mogelijk zijn. Bovendien moeten ze dat kunnen in stedelijke gebieden. Dat houdt in dat ze de veiligheid moeten verzekeren van de bevolking en de internationale organisaties, de openbare orde garanderen en initieel ook levensmiddelen en nutsdiensten leveren. Die ‘dienstverlening’ moet ook beter zijn dan die van de tegenstrever.

Regionale conflicten kunnen de economische en technologische stromen waarvan een geglobaliseerde samenleving afhangt onderbreken. De bescherming van die stromen moet ook een kerntaak worden van de legers van de toekomst. Ten slotte moeten zij voort bijdragen aan conflictpreventie, onder meer door fragiele staten te steunen in de hervorming van hun leger en politie.