Hoopvol, omdat het moet
Een Palestijns en een Joods jongetje in Parijs. Dit zou een voorafspiegeling moeten zijn van hun volwassen toekomst. Foto: rr

Op 8 juli sprak David Grossman in Tel Aviv een vredesconferentie toe. Diezelfde dag begon het Israëlische leger operatie ‘Protective edge’, gerichte aanvallen op Gaza als antwoord op raketten die Hamas afvuurde. Meer dan 1.000 doden zijn er inmiddels te betreuren en Grossman blijft op zoek gaan naar manieren om beide partijen met elkaar te verzoenen. Sterker, hij denkt dat een aanzwellende stroom in Israël beseft dat een oplossing voor deze situatie nooit militair kan zijn.

Israëli’s en Palestijnen zitten als het ware gevangen in een hermetisch gesloten luchtbel. In de loop der jaren hebben beide partijen, binnen die luchtbel, methoden ontwikkeld om een gesofisticeerde uitleg te bedenken voor alles wat ze doen.

Israël zegt terecht dat geen enkel land in de wereld de onophoudelijke aanvallen van Hamas of de bedreiging van de tunnels onbeantwoord zou laten. Hamas van zijn kant vindt die aanvallen op Israël gerechtvaardigd, omdat de Palestijnen nog altijd onder een bezetting leven en de inwoners van Gaza wegkwijnen onder een door Israël opgelegde blokkade.

Wie zal het, binnen die luchtbel, Israëli’s kwalijk nemen dat ze van hun regering verwachten dat die er alles aan doet om de kinderen van Nahal Oz te beschermen – of om het even welk dorp dicht bij de Gaza-strook – tegen strijders van Hamas die plots tevoorschijn kunnen komen uit een gat in de grond, midden in hun kibboets? En wat moet je antwoorden aan inwoners van Gaza die zeggen dat de tunnels en raketten voor hen de enige overblijvende wapens zijn tegen een oppermachtig Israël?

Binnen deze wrede en hopeloze luchtbel hebben beide kanten gelijk, omdat ze allebei gehoorzamen aan de wet van de luchtbel – de wet van geweld en oorlog, van wraak en haat.

Maar de grote vraag, terwijl deze oorlog voort woedt, gaat niet over de dagelijkse gruwel binnen die luchtbel. Ze gaat wel hierom: hoe is het in hemelsnaam mogelijk dat we mekaar binnen die luchtbel al meer dan een eeuw in een verstikkende greep houden? Dit is voor mij de kernvraag van de recentste bloedige cyclus.

Omdat ik het niet aan Hamas kan vragen en niet in zijn plaats kan denken, vraag ik het aan de leiders van mijn land, de huidige eerste minister van Israël en zijn voorgangers: hoe is het mogelijk dat jullie, sinds het laatste conflict, jaren hebben laten voorbijgaan zonder een dialoog aan te vatten, zonder ook maar het kleinste gebaar te doen in de richting van Hamas, zonder te proberen om aan deze explosieve werkelijkheid iets te veranderen?

Waarom heeft Israël de voorbije jaren redelijke onderhandelingen vermeden met gematigde en meer tot onderhandelen bereide fracties binnen het Palestijnse volk – wat op zijn beurt had kunnen helpen om druk te zetten op Hamas? Waarom hebben jullie, twaalf jaar lang, het initiatief van de Arabische Liga genegeerd waar gematigde Arabische staten zich bij hadden kunnen aansluiten, zodat ze Hamas misschien tot een compromis hadden kunnen bewegen?

Met andere woorden: waarom zijn Israëlische regeringen al decennialang niet in staat om buiten de luchtbel te denken?

Toch is er iets anders, aan het huidige rondje tussen Israël en Gaza. Als je verder kijkt dan de strijdlust van enkele politici die graag het oorlogsvuur aanwakkeren, verder dan het vertoon van ‘eensgezindheid’ – deels is die er, maar ze is toch vooral georkestreerd – bespeur je, dat is mijn indruk althans, dat iets in deze oorlog de aandacht van veel Israëli’s verlegt: naar het mechanisme dat de basis vormt van deze situatie, en haar geheel nutteloze en steeds weer dodelijke karakter.

Veel Israëli’s die altijd geweigerd hebben om een en ander te erkennen, kijken nu naar die uitzichtloze spiraal van geweld, van wraak en weerwraak, en dit is wat ze thans zien: een helder, niet opgeschoond beeld van die heerlijk creatieve, inventieve en dappere staat Israël, die al meer dan honderd jaar in de tredmolen blijft lopen van een conflict dat jaren geleden opgelost had kunnen worden.

Als we even alle rationalisaties opzijschuiven waarmee we ons wapenen tegen de eenvoudigweg menselijke empathie met de vele Palestijnen wier leven door deze oorlog om zeep is, misschien zijn we dan in staat om ook hen te zien, in die tredmolen, vlak achter ons. Samen, in eindeloze blinde kringetjes, in doffe wanhoop.

Ik weet niet wat de Palestijnen, ook die van Gaza, op dit ogenblik denken. Maar van Israël krijg ik de indruk dat het wijzer wordt. Bedroefd, gekwetst, tandenknarsend, maar wel degelijk verstandiger – althans, omdat het niet anders kan. Ondanks de oorlogszuchtige verklaringen van politieke heethoofden en zelfverklaarde experts, ondanks de virulente aanvallen van rechtse bruten tegen al wie het niet met hen eens is, wordt de grondstroom bij de Israëlische bevolking gematigder.

Links wordt zich steeds meer bewust van de groeiende haat tegen Israël – een haat die niet alleen wordt ingegeven door de Bezetting – en van de islam-fundamentalistische vulkaan die het land bedreigt. Het ziet ook in hoe broos om het even welke overeenkomst in dit verband zou zijn. Steeds meer mensen aan de linkerzijde zien in dat de angst van de rechterzijde niet alleen met paranoia te maken heeft, dat ze reële en cruciale kwesties aankaart.

Zelf hoop ik dat ook aan de rechterzijde het inzicht groeit – ook al gaat het dan vergezeld van kwaadheid en frustratie – dat er grenzen zijn aan de macht. Dat zelfs een sterk land als het onze niet zomaar zijn zin kan doen en dat ondubbelzinnige overwinningen niet meer van deze tijd zijn. Dat er niet meer is dan de illusie van een overwinning, een beeld dat de waarheid niet verhult: in een oorlog zijn er alleen verliezers.

Hopelijk beseffen ze stilaan dat er geen militaire oplossing bestaat voor het reële leed van het Palestijnse volk en dat, zolang de verstikkende greep op Gaza niet wordt verlicht, wij in Israël ook niet vrij zullen kunnen ademen.

Israëli’s weten dat al tientallen jaren. En even lang al hebben we geweigerd om dat ten volle te vatten. Maar misschien begrijpen we het nu wat beter, misschien hebben we een glimp opgevangen van ons leven vanuit een wat andere hoek. Het is een pijnlijke vaststelling, en een bedreigende, zeer zeker, maar het is een inzicht dat het begin zou kunnen zijn van een verschuiving in ons denken. Misschien gaan Israëli’s beseffen hoe belangrijk en dringend vrede met de Palestijnen is, als basis voor vrede met de andere Arabische staten. Misschien zien ze zo dat vrede – blijkbaar een achterhaald concept dezer dagen – de beste optie is die Israël heeft, en de veiligste bovendien.

Zal een zelfde soort besef groeien aan de andere kant, bij Hamas? Daarop moet ik het antwoord schuldig blijven. Maar de meerderheid van de Palestijnen, vertegenwoordigd door Mahmoud Abbas, heeft zich al uitgesproken voor onderhandelingen en tegen terrorisme.

Zal de regering van Israël, na deze bloederige oorlog, nadat we weer zoveel jonge en geliefde mensen hebben verloren, nog altijd weigeren om die optie zelfs maar te overwegen? Zal ze Mahmoud Abbas blijven negeren als een essentiële factor tot elke oplossing? Zal ze de mogelijkheid blijven wegwuiven dat een akkoord met de Palestijnen op de Westbank geleidelijk kan leiden tot een betere verstandhouding met de 1,8 miljoen inwoners van Gaza?

Zodra deze oorlog voorbij is, moeten we binnen Israël het proces in gang zetten waaruit een nieuw soort partnership kan voortkomen, een interne alliantie die komaf maakt met de resem benepen belangengroepen die ons nu nog stuurt. Een alliantie van hen die het noodlottige risico zien van de tredmolen, van hen die inzien dat onze grenzen niet lopen tussen Joden en Arabieren, maar tussen mensen die naar vrede verlangen en mensen die zich laven, emotioneel en ideologisch, aan volgehouden geweld.

Ik geloof dat er in Israël nog altijd voldoende mensen zijn, zowel links als rechts, zowel gelovigen als ongelovigen, zowel Joden als Arabieren, die zich willen verenigen – voorzichtig, zonder illusies – en die zich eens kunnen verklaren over een aantal punten om het conflict met onze buren op te lossen. Velen ‘herinneren zich de toekomst’ (een vreemde combinatie, maar in dit geval klopt ze): de toekomst die ze wensen voor Israël, en voor Palestina. Ze bestaan nog, maar wie weet hoe lang nog, de mensen in Israël die inzien dat opnieuw wegzinken in apathie niet mag. Want dan laten we de ruimte voor hen die ons vol vuur in de volgende oorlog zullen meeslepen en die daartoe elk mogelijk vonkje van conflict in de Israëlische samenleving zullen aangrijpen.

Het moet gewoon, anders zullen we allemaal – Israëli’s en Palestijnen: geblinddoekt, het hoofd gebogen, in shock en in wanhoop – de tredmolen draaiende houden van dit conflict, dat onze levens uitholt, onze hoop wegneemt en onze menselijkheid kapotmaakt.

David Grossman is Israëlische schrijver. Zijn laatste boek heet ‘Uit de tijd vallen’ (uitgeverij Cossee).