Wie denkt aan de huurder?
Filip Canfyn

Wie? Onafhankelijk deskundige van de Vlaamse Woonraad. Auteur van ‘Het syndroom van verkavelings­ vlaanderen – Radicaal pleidooi voor stedelijk wonen’ (ASP, 2014) 

Onze woningen zijn te groot, de wijken grondverslindend, de files moordend, de prijzen onbetaalbaar. Daarom moet de overheid mensen stimuleren om te gaan wonen waar we werken of waar de kinderen schoolgaan. Die bekende boodschap schrijft Marijn van de Weijer in zijn doctoraatsverhandeling (DS online 2 mei) .

Daarin krijgen we ook, niet voor het eerst, te horen dat we tegen 2030 voor 330.000 huishoudens een woning moeten zoeken, dat we elk jaar veel te weinig nieuwe woningen bouwen en dat we intussen één op de zes bestaande woningen onderbenutten.

En toch hou ik niet van de stelling ‘we wonen te groot’. Ten eerste omdat ze nuanceloos misbruikt wordt om seniorenflats en studentenkamers als nieuwe norm op te dringen aan alle huishoudens. En ten tweede omdat ze suggereert dat wonen alleen gaat over eigendom, nieuwbouw en verkavelingen. Wonen gaat voor te veel mensen over te duur huren in een te slecht pand in een te treurige omgeving. Die mensen wonen niet te groot, maar dienen toch als argument voor een mercantiele productiestrategie, die zich niets aantrekt van die 330.000 méér.

Die 330.000, als gevolg van vergrijzing, migratie en het toenemende aantal eenpersoons- en eenoudergezinnen, hebben meestal een profiel dat huur en dus niet eigendom noodzaakt. Ze definiëren betaalbaarheid niet als ‘een te duur huis’ maar als ‘te weinig huurbudget’. Die 330.000 zullen dan ook eerder in de bestaande woningvoorraad gehuisvest worden en waarschijnlijk niet in de overmaatse suburbane exemplaren.

Dat klinkt toch zeer cynisch: wie het kan koopt of bouwt een kast met plattelands­allure, en dat nefast gedrag wordt dan aangegrepen om ervoor te pleiten dat de nieuwe woongeneraties, dus de anderen, maar best gepropt worden in compacte, lees ondermaatse, stapelunits in de stad, in de kleinstad, of op het dorpsplein. Maar liefst niet in de verkavelingswijken, waar die kasten staan.

Discussies over woningtypologie en woonoppervlakte worden vandaag iets te veel gevoerd door spreekbuizen, die, vanuit kortzichtigheid of sturingsdrang, van compactheid een even averechts en nietszeggend fenomeen als ‘duurzaamheid’ willen maken. Zodat, luid verkondigend wat selectief onthouden wordt van een doctoraatsverhandeling, vooral te kleine units tegen te hoge prijzen aan Chinese vrijwilligers verlapt kunnen worden.

Leve de rijwoning

Het lijkt mij ten slotte onverstandig om met dit discours pro domo de relevantie van bijvoorbeeld rijwoningen te ontkennen. Rijwoningen vormen vandaag de textuur van stad en dorp, van straat en plein. We moeten die rijwoningen weer in de vitrine durven zetten omdat we er veel van hebben, omdat ze stad en dorp maken tot wat ze zijn, omdat ze die 330.000, die geen centen hebben voor schaarse nieuwbouw, kunnen huisvesten. Meer nog, bouwblokken van rijwoningen geven vorm, structuur, herkenbaarheid én densiteit aan woonomgevingen, die voor iedereen bestemd zijn. Rijwoningen hebben de potentie om onze grootste woningvoorraad te leveren maar worden, wegens niet passend in vastgoedconcepten, als huurobject verwaarloosd of mordicus afgebroken en vervangen door drie lagen appartementen.

Kortom, de doctoraatsverhandeling is wat ze is, maar we moeten ons hoeden voor eenzijdige conclusies, die een direct rendement laten prevaleren op de structurele woonbehoefte en die de wetenschap als muziek in de verkeerde oren laten klinken.