Co-ouderschap afschaffen? Nee,ruziënde ouders afschaffen
Foto: Julie Nicholls/corbis

Co-ouderschap voor kleine kinderen ligt onder vuur. Een wetswijziging is geen oplossing, zeggen Dimitri Mortelmans en Kim Bastaits. Kinderen kunnen flexibel zijn in het omgaan met de scheiding van hun ouders, behalve als die blijven ruziemaken.

Wie? Leden van het universitair consortium ‘Scheiding in Vlaanderen’. Ze werken in het Centrum voor Longitudinaal en Levensloop Onderzoek (Cello) aan de UA

Wat? Een verplicht ouderschapsplan zou veel problemen inzake co-ouderschap uit de wereld helpen.

Het zou wetenschappelijk bewezen zijn dat co-ouderschap niet goed is voor kinderen onder de zes jaar (DS 19 april). Nergens in de berichtgeving vinden we cijfers over hoeveel kinderen het hier gaat en hoe groot het percentage problemen is ten opzichte van het totaal aantal kinderen in co-ouderschap. Er wordt enkel melding gemaakt van een toename van het aantal problematische gevallen in de praktijk van psychotherapeuten.

Dat er een stijging is, verwondert niet. Als het totaal aantal kinderen in co-ouderschap stijgt, dan is het aannemelijk dat het aantal kinderen dat problemen ondervindt van zo’n regeling ook stijgt. Het onderzoek Scheiding in Vlaanderen toonde aan dat het verblijfsco-ouderschap (tussen 33 en 66 procent bij elke ouder) de afgelopen decennia steeg van 7 procent (voor 1995) tot 27 procent na 2007. Ondertussen is dat cijfer wellicht nog verder opgelopen. Als we aannemen dat een vast percentage kinderen die in zo’n regeling zitten problemen ervaart, dan is het heel begrijpelijk dat het aantal kinderen in behandeling bij psychotherapeuten mee is gestegen.

Terechte aanval?

Is co-ouderschap nu echt zo negatief voor kinderen? Uit onze studie blijkt dat we hierop zowel ja als nee moeten antwoorden. Nee, indien het kind een goede band heeft met beide ouders. Kinderen hebben immers baat bij een betrokken papa en mama. Ja, indien er veel conflict is tussen de ouders. Maar ook de vroegere norm van moederverblijf met weekendvaders was niet zonder problemen. Ook toen zagen kinderpsychiaters de gevolgen van minder betrokken vaders, een totaal verlies aan contact met de vader of continu ruziënde ex-partners.

Een belangrijker vraag is: wringt het schoentje wel bij het co-ouderschap als verblijfsregeling? We sluiten ons als echtscheidingsonderzoekers aan bij de noodkreet van de therapeuten, maar we zijn van mening dat ze hun pijlen op het verkeerde doelwit richten.

Het probleem lijkt zich eerder te situeren bij het ouderlijk conflict, los van de verblijfsregeling. Kinderen kunnen flexibel zijn in het omgaan met de scheiding van hun ouders, behalve als die blijven strijden en ruziën. Onze studie toonde aan dat ouderlijk conflict nefast is voor het welbevinden van kinderen. Ouders in co-ouderschap hebben evenwel niet meer een conflict dan ouders met een andere verblijfsregeling, maar ze maken wel vaker ruzie. Een poging om dit ouderlijk conflict te reduceren, moet zich volgens ons niet richten op het aanpassen van de wetgeving betreffende het co-ouderschap.

Verplicht plan

In plaats van het co-ouderschap af te schaffen, herhalen we graag ons pleidooi om een verplicht ouderschapsplan op te leggen naar Nederlands model. Een ouderschapsplan zou integraal deel moeten uitmaken van een scheidingsovereenkomst en moet een regeling bevatten over verblijf, kosten, taakverdeling en informatie-uitwisseling aangaande de kinderen. Als ouders op die vier domeinen overeenkomen hoe ze verder ouder zullen zijn, dan zouden psychotherapeuten hopelijk heel wat minder werk hebben. Als bemiddelaars ouders meer zouden kunnen helpen bij het opstellen van dit plan, dan zouden jonge en oudere kinderen vooruitgeholpen zijn.

Zo’n plan stimuleert ouders hopelijk ook om te focussen op de ouderrol in plaats van de rol van gekwetste partner: de andere ouder ook erkennen in zijn of haar ouderrol en het belang van permanente ouderlijke betrokkenheid, ook na echtscheiding, inzien. Voor kinderen is het immers van belang dat ze het gevoel krijgen te allen tijde op beide ouders te mogen rekenen, los van de verblijfsregeling.

Zeker voor jonge kinderen is het uitdenken van een aangepaste regeling die verder gaat dan enkel het verblijf geen overbodige luxe. En zo’n ouderschapsplan laat ook toe om gefaseerd te werken: bij zeer jonge kinderen kan het kind bij één ouder verblijven en naarmate het opgroeit, kan het naar een co-ouderschap toegroeien. Het voordeel van zo’n mee-groeiend ouderschapsplan is dat de ouder bij wie het zeer jonge kind aanvankelijk niet woont, de geruststelling heeft (op papier) dat er gewerkt wordt aan gezamenlijk ouderschap naarmate het kind opgroeit.

De wetgever kan ouders verplichten om zo’n plan te maken en doen inzien dat het niet de regeling is die problematisch is, maar het gedrag van de vechtende ouders. Hoezeer ze zichzelf voorhouden dat ze dit doen in het belang van hun kind, ons onderzoek toont duidelijk aan dat het omgekeerde waar is. Het is tijd om dat een halt toe te roepen.