In een taalbad verzuip je
‘Om een tweede taal te leren is input nodig, maar daarom niet constant.’ Foto: Dieter Telemans

Anderstaligen moeten ondergedompeld worden in het taalbad, klinkt het steevast, maar waarom gaan er dan zoveel kopje-onder? Piet Van Avermaet en Stef Slembrouck gebruiken liever het beeld van het taalzwembad, waarin je tijd krijgt voor watergewenning, en af en toe aan de rand (de thuistaal) mag hangen om uit te rusten. Zo leer je zwemmen.

Zwart-witdenken over de thuistaal en het taalbad op school bannen is altijd makkelijker dan kleurrijke nuances gebruiken. Zuhal Demir en Peter De Roover illustreren dat in hun repliek op het initiatief om in Gent de thuistaal meer kans te geven in de scholen (DS 11 april) .

De onderliggende ideeën achter die kritiek zijn bediscussieerbaar. We sommen ze even op: 1) Elk kind zuigt als een spons de taal op. 2) Hoe meer Nederlands, hoe beter. 3) De thuistaal zit het Nederlands leren in de weg. 4) Thuistaal toelaten creëert etnische kliekjes. Hardnekkige mythes, maar ze kloppen niet helemaal.

De metafoor van het ‘taalbad’ wordt al veertig jaar gebruikt, sinds er migrantenkinderen in onze scholen kwamen. En we merken dat dat bad geen garantie is om volwaardig het Nederlands als schooltaal te leren.

Misschien moeten we overgaan tot een taalzwembad. In een zwembad ben je veel actiever dan in een bad, leer je zwemmen met andere kinderen, krijg je watergewenning en instructies. In dat zwembad zijn er inderdaad kinderen die vlot leren zwemmen. Maar een pak kinderen blijft maar net drijven, en een andere groep zinkt. Blijven hameren op het feit dat kinderen als een spons – en dus als vanzelf – die nieuwe taal zullen opzuigen, is dus je ogen sluiten voor wie daar moeite mee heeft. Het zwembad groter maken en er meer water inlaten (‘als de ouders thuis maar meer Nederlands zouden praten’), zal zeker niet helpen. De groep spartelende kinderen wordt alleen meer onzichtbaar.

De focus moet liggen op wat de zweminstructeur doet en hoe de kinderen onderling met elkaar bezig zijn. De leerkracht kan de thuistaal soms inzetten om vlotter te leren zwemmen, vlot Nederlands leren dus. In het Gentse thuistaalproject waren de leerkrachten het over één ding eens: als leerlingen even aan elkaar in hun thuistaal de instructie of uitleg kunnen overdoen, zie je die leerlingen ook sneller de ‘klik’ maken, en kan de les weer verder.

Het idee van het taalbad is: alleen maar Nederlands, overal en altijd. Maar iedere leerkracht weet ook dat bij die potentiële ‘drijvers’ en ‘zinkers’ trop soms te veel is. Een hele dag instructie in het Nederlands, en nooit even in je eigen thuistaal tot rust komen, en de volgende dag weer in dat zwembad gegooid worden, doet leerlingen afhaken (voel je de link met ‘gelijke onderwijskansen’?).

Neem de tijd

Om een tweede taal te leren heb je contact nodig in die taal, input. Maar het is nergens aangetoond dat je die input constant nodig hebt. Het duurt overigens minstens vijf jaar – sommige onderzoekers spreken over elf jaar – om je die tweede taal als instructietaal eigen te maken. Neem er dus de tijd voor, en gun de iets slechtere zwemmers bij momenten een thuistaalpauze!

Een taal leren doe je in interactie. Wat ben je met een taalbad in een context waar de leerkracht driekwart van de tijd volbabbelt? In een dergelijke leeromgeving kunnen leerlingen slechts een kwart van de tijd de instructietaal spreken.

Nederlands leren heeft pas zin in een interactieve leeromgeving, waarbij de houding van de leerkracht er één is van aanmoediging. In een dergelijke context kán thuistaal, als ze op de goede manier ingebracht wordt, een positief effect hebben. En wat het zéker doet: het welbevinden neemt toe. Dat blijkt ook uit het Gentse thuistaalproject: kinderen bloeien meer open als hun thuistaal niet verdrongen wordt, als ze voelen dat er vanuit de school respect wordt opgebracht voor hun moedertaal als deel van hun identiteit. Uit het Gentse thuistaalproject bleek overigens dat er op de speelplaatsen door het toelaten van de thuistaal een meer ontspannen sfeer ontstond en dat etnische kliekjesvorming niet per se optreedt.

In de klas en op de speelplaats de thuistaal toelaten, hoeft dus niet zo problematisch te zijn. Alsof élke kans dat ze geen Nederlands zouden spreken een verloren kans zou zijn.

Piet Van Avermaet en Stef Slembrouck
Wie?
 Docent en hoogleraar taalkunde (UGent).

Wat? Niet alle kinderen slorpen taal op als een spons in een bad. Daar geen rekening mee houden, is de ogen sluiten voor de realiteit.