'Ik zie steeds minder Oekraïens op straat'
Nadya Lobkova Foto: rr
Nadya Lobkova (1974) studeerde Kunstwetenschappen aan de Universiteit Gent. Ze doceert Engels en Russisch in Sevastopol. Voor De Standaard houdt ze een Krim-dagboek bij. 'Ik zie steeds minder Oekraïens op straat.'

Ik zat op een bus en keek door het raam. Mijn blik viel op een bord aan een tankstation waarop in het Oekraïens 'brandgevaar' stond. Plots viel het mij op dat ik steeds minder Oekraïens zie op straat. Dat vind ik zonde.

Ik was het al gewoon om mijn taalkundige vaardigheden te oefenen op Oekraïense borden. Je breekt een woord in stukjes: deel één is ge makkelijk, en klinkt al het oud-Russisch 'vuur'. Deel twee is gelijk aan het Russisch 'on', maar het mooiste stuk staat op het einde en klinkt zoals het Russisch voor ‘achteloos’, of zelfs ‘luchthartig’. Wees niet onachtzaam, onvoorzichtig, dus brandgevaar. Voor mij klinkt Oekraïens erg poëtisch, zelfs in zulke banale dingen. En je eigen taal wordt duidelijker in de aanwezigheid van een nabije andere.

Onze beide talen stemmen uit het Oudrussisch, dat tot de veertiende eeuw in gebruik was in Rijk van Kiev. Het was de taal van het Igorlied, het hoogtepunt van onze middeleeuwse literatuur. In het Oekraïens hoor ik nog altijd de bijklank van Jaroslavna’s jammerklacht.

Ik kan me er niet mee verzoenen dat de taalkwestie zo’n grote rol heeft gespeeld in de opsplitsing van Oekraïne. Het werd gewoon van beide kanten als een troefkaart gespeeld in de politieke propaganda. En de mensen hebben het zomaar geslikt!

Ik heb weet van de spanningen tussen Vlamingen en Walen. Maar stel je eens voor dat het Frans plotseling helemaal uit de Vlaamse cultuur verdwijnt. Geen ‘patisserie’ of ‘brasserie’ of ‘chocolatier’, zelfs geen ‘lingerie’, noem maar op. Het Nederlands zou helemaal kunnen worden ‘uitgezuiverd’, maar een bepaald ongrijpbaar aroma zou toch ontbreken.