Vloeken in de kerk
Lorin Parys
Vlaanderen moet een kennisregio worden, zo luidt de politieke mantra. Ik sta er zelf achter, maar mantra’s zijn gevaarlijk omdat ze doorgaans betekenen dat we starten met geld uit te geven en stoppen met kritisch na te denken. En kritiek wordt dan al snel uitgelegd alsof je het niet langer eens zou zijn met de doelstelling.

 Er is ‘meer geld voor onderzoek nodig’ om het stijgende aantal kandidaten voor een doctoraatsbeurs op te vangen, stond in deze krant (DS 10 februari) . Dat wil ik graag betwisten. In minder dan twintig jaar tijd is het aantal doctoraatsdiploma’s in Vlaanderen verviervoudigd. In het academiejaar 1995-1996 zwaaiden nog 300 doctorandi af, in 2009 waren dat er al 1.195. De vraag is: moeten we daar onverdeeld blij mee zijn? Het antwoord: neen.

Het aantal publicaties aan Vlaamse universiteiten is in die periode zeker gestegen en ook met de kwaliteit ervan zit het snor. Maar er hangt een prijskaartje aan. Eén jaar onderzoek van één doctorandus kost ongeveer 38.000 euro. In totaal investeren we jaarlijks bijna 250 miljoen euro. Dat geld komt van de Vlaamse overheid, de EU en in mindere mate van de privésector. Ter vergelijking, met minder dan de helft van dat bedrag financieren we de 23 grote werven op onze autowegen dit jaar. Een onderzoeker verdient, afhankelijk van zijn gezinssituatie en anciënniteit, tot 2.200 euro netto. Het netto jaarlijks inkomen van een onderzoeker aan een universiteit in het Verenigd Koninkrijk, toch de thuishaven van een aantal gereputeerde instituten, ligt ergens boven de 15.000 euro.

‘De lonen van de Vlaamse doctorandi zijn bij de hoogste van Europa. Ze liggen ook hoger dan de gemiddelde starterslonen die de profit en de non-profit doorgaans betalen, waardoor doctoraatshouders niet aangemoedigd worden, en vaak ook niet geneigd zijn om de universiteit te verlaten.’ Dat zegt de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid en Innovatie in zijn memorandum dat hij klaarstoomde in de aanloop naar de verkiezingen. De Raad voegt daaraan toe: ‘Momenteel heerst er ook weinig ondernemingszin bij de Vlaamse doctorandi.’ Dat is straf omdat het de kennisinstellingen zelf zijn, zij die de doctorandi te werk stellen, die het probleem aankaarten.

Daarmee leggen de universiteiten meteen de vinger op een tweede wonde: de concurrentie die de overheid de arbeidsmarkt aandoet. Het Interuniversitair Instituut voor Onderzoek en Ontwikkelingsmonitoring hield twee decennia doctoraatsstudies onder de loep en leerde dat wetenschap, technologie en ingenieursstudenten driekwart van de doctoraten uitmaken. Net de profielen waar bedrijven om smeken.

En dan is er nog een andere netelige kwestie. Hoe kunnen al die doctoraten van dezelfde kwaliteit zijn als twintig jaar geleden? Het aantal professoren is grotendeels stabiel gebleven, maar het aantal onderzoekers aan Vlaamse universiteiten is tussen 1992 en 2008 meer dan verdubbeld. Met als logisch gevolg dat een professor nu bijna dubbel zoveel onderzoekers begeleidt, zonder de post-doc-vorsers mee te tellen die in dezelfde periode verviervoudigden. Een vijfde van de doctorandi zegt dat hun promotor meer dan acht doctoraatsstudenten begeleidt. Of die proffen zijn supermensen geworden, of ze deden vroeger te weinig, of de kwaliteit van hun begeleiding vandaag is gehalveerd, of hun andere opdrachten lijden eronder. Dat hier iets niet klopt is duidelijk. Dus maakt de overheid de volgende tien jaar extra geld vrij om meer academisch personeel aan te nemen. Maar die inhaalbeweging is helemaal niet in proportie met de stijging van het aantal doctorandi.

Ten slotte, wat gebeurt er met al die doctorandi als het aantal professoren nauwelijks gegroeid is? Bijna elke doctorandus droomt ervan om professor te worden, maar slechts één op de dertien kan aan de universiteit blijven. In Leuven studeren er jaarlijks zeshonderd doctorandi af, maar zijn er slechts zeventig vacatures voor prof. De rest van de doctorandi moet een plek aan een hogeschool, in het buitenland of in de privé vinden.

Maar het bedrijfsleven staat niet te springen. Zelfs kmo’s die bezig zijn met innovatie nemen niet massaal doctors aan. Veel bedrijven werken liever met een ingenieur van 25 die ze zelf kunnen vormen, dan met een ingenieur van 35 die veel te duur is, maar nog onderaan de bedrijfsladder moet beginnen.

In plaats van steeds meer geld te vragen, zouden we ons in tijden van budgettaire schaarste beter afvragen of we de nieuwe lichting doctorandi niet wat minder moeten betalen. Of de vraag stellen of we er niet beter wat minder laten starten, zodat elke kandidaat de omkadering krijgt waar hij recht op heeft en we doctorandi minder frustreren omdat er later toch geen plek aan de unief is, en we ze vlotter kunnen laten doorstromen naar de arbeidsmarkt of het ondernemerschap. Vlaanderen hoeft er daarom niet minder kennisregio om te worden.