In Vlaamse Velden: Geschiedenis met plaatjes
De eerste aflevering van ‘In Vlaamse velden’: bij momenten onaangenaam zwaar. Foto: vrt/Lies Willaert

Het zijn niet de eersten de besten die Eén als regisseur, scenarist of acteur inhuurde voor de nieuwe reeks In Vlaamse velden. Die mocht duur zijn en ze ziet er ook – o, vermaledijd woord – prestigieus uit, maar wel in een erg klassieke, weinig inventieve vorm.

Ze wilde zo te zien vooral educatief zijn: de Eerste Wereldoorlog in fictie navertellen. Dat blijkt al in de generiek. ‘In Vlaamse velden’, klaproos inbegrepen, verwijst naar een oorlogsgedicht dat in Angelsaksische landen vaak de propaganda diende en daar op officiële herdenkingen nog altijd een symboolwaarde heeft.

 

Zo’n opzet heeft een narratief nadeel. Wat de personages ook doen, hun toekomst ligt al vast en de openingsscène verklapte al waar het verhaal naartoe moet: het ­IJzerfront. Zo dreigt de serie inhoudelijk én dramatisch te versmallen tot geschiedenis met plaatjes, over een voorspelbaar verleden, zelfs in clichés.

Bij dat officiële vertoog past de keuze om de hoofdpersonages in een burgerlijk doktersgezin in Gent te plaatsen. ‘Gewoon volk’ figureert helaas uitsluitend als decor, als dienstmeid, armlastige vluchteling of agressief heethoofd. Zij handelen niet, ze ondergaan de feiten slechts.

Dat zoveel historische stof te verwerken viel, schaadt de dramatische kracht en de karaktertekening, zeker bij centrale personages als de dokterskinderen. De zonen zijn karikaturen van respectievelijk een idealist en een opportunist (die dus seks heeft met de meid), terwijl dochter Marie, zogezegd een vijftienjarige, maar weinig puberaals heeft – de alom woekerende conflicten doen haar constant zorgelijk kijken. Ook dat komt door dat volgepropte, inventariserende opzet: voor een adempauze is geen ruimte, wat de serie soms onaangenaam zwaar maakt.

Valt over de historische precisie van het verhaal te twisten, een knelpunt is vooral de taal, temeer omdat de serie daarvan een thema lijkt te willen maken. De aanzet daartoe oogt ook al karikaturaal: geen enkele militair vanaf de (toch lage) graad van sergeant blijkt Nederlandstalig te zijn. Een cliché als ‘pour les Flamands la même chose’ valt net niet – maar wat niet is, kan nog komen.

De meeste personages spreken een hedendaagse tussentaal, wat wringt met de sociale kleuring van het taalgebruik toen, en vooral met het vele maar willekeurig gebruikte Frans in het doktersgezin. En, dat valt nu al te voorspellen, het zal die dokter niet beletten om professor te willen worden aan de ‘Vlaamse’ universiteit die de Duitsers in 1916 oprichtten. Maar waarom wil hij dat dan? Niet omdat zijn karakter dat gebiedt, wel omdat dit thema van de Vlaamse collaboratie kennelijk ook nog in het scenario moest.

De volgende afleveringen zullen moeten bewijzen of deze serie meer kijkplezier te bieden heeft.

‘In Vlaamse velden’, Eén, zondag, 21.20 uur