Oude God, nieuwe demonen
De Mortselse woonwijk Oude God werd in 1943 plat gebombardeerd door de geallieerden. Foto: Pieter Serrien/Mortselse Heemkundige Kring
61 jaar heeft het geduurd eer de slachtoffers van het oorlogsbombardement op Oude God officieel erkenning kregen. De bommen kwamen van de eigen alliantie, vandaar de stilte. Zal Jonathan Jacob, eveneens gevallen na 'friendly fire' in Mortsel, even lang weggezet worden als collateral damage? Tom Lanoye vreest ervoor.

Beste Jonathan Jacob,

je was zesentwintig, naakt en psychotisch toen je vier jaar geleden een dood stierf die wij nooit voor mogelijk hadden gehouden ‘bij ons’. Je werd door vijf van onze wetsdienaren letterlijk doodgeslagen in het politiekantoor van een der tuttigste voorsteden van Vlaanderen. In een cel in het hart van Mortsel: daar spatte jouw bloed op de muren. Terwijl jij al op je buik lag, op een brits, met je handen geboeid op je rug. Drie andere wetsdienaren stonden erop toe te kijken. Jouw cel was zo benepen dat ze niet met hun achten boven op jou hadden kunnen springen, anders hadden ze het misschien gedaan. Het risico voor lief nemend dat ze in het geharrewar ook op elkaars bek zouden timmeren.

Achter de toekijkende wetsdienaren stond een dokter te wachten om jou een kalmeringsmiddel toe te dienen. Tegen dat hij daartoe de kans kreeg, duwde hij zijn injectiespuit leeg in een lijk. Je had een scheur van meer dan tien centimeter in jouw meest kwetsbare weefsel — je lever. Je had ook een gebarsten ader in je buik en een opzwellende kop vanwege de klappen. Het is niet bekend of je laatste woorden had, en zo ja: wat ze waren.

De grote stilstand

Van alle keurig aangeharkte catacomben in het vagevuur: uitgerekend Mortsel. Daar – zo dachten wij vroeger – kon een mens hooguit verrekken van verveling, onderuitgezakt achter het stuur van zijn gezinswagen, met een stationair draaiende motor en voor eeuwig gevangen in de files die dagelijks de slagader van de gemeentekom doen dichtslibben. Die files zijn de enige claim op faam van het hedendaagse Mortsel. Misschien moeten ze er maar een betalende attractie van maken. Komt dat zien! De meest betrouwbare files van het land! Eindelijk zekerheid over íéts: stabiele stilstand, elke dag weer!

De cel waarin jij stierf wordt nooit een attractie. Daarvoor refereert men niet vaak genoeg aan jou in het openbaar. Indien dat al gebeurt wordt de toon al snel fluisterend, somber, beschroomd, in het beste geval medelijdend, af en toe bedremmeld schuldbewust. Niettemin is dit, juridisch gesproken, de ontluisterende balans, vier jaar na jouw dood: stabiele stilstand over de hele lijn. Een verstikkende file van moedwil, mistgordijnen en getalm, alle vragen om opheldering ten spijt. Die worden inmiddels zelfs afgevuurd door de Raad van Europa en de Verenigde Naties, via hun respectieve Comités ter Preventie van Foltering. ‘Foltering’, jawel. Want dat was het. Misschien niet in intentie, wel in de feiten.

Wat bezielt ons, dat we nog steeds geen opheldering kunnen verschaffen? Niemand neemt jouw dood op zich, niemand is voor jouw mishandeling bestraft, veroordeeld, aansprakelijk gesteld, definitief of zelfs maar tijdelijk geschorst. Mort à Mortsel? De doodslag op jou laat zich niet alleen lezen als een kroniek van ingebakken knulligheid, maar ook als een schoolvoorbeeld van het ontlopen van gevolgtrekkingen. Postuum verspreidt jouw naam de pokken én de pest, iedere hoogwaardigheidsbekleder mijdt jouw dossier, jouw lot, jouw vloek. Zelfs in de publieke opinie lok jij onthutsend weinig verontwaardiging uit, zeker vergeleken bij de zielige deining rond een koning die het aandurfde om – niet eens op eigen initiatief – ouderwets gratie te verlenen aan elf sukkelachtige bedrijvers van pekelzonden in ons bijwijlen ook hectische verkeer.

Hoe komt het, Jonathan? Dat jij tegelijk zoveel onbehagen en zoveel onverschilligheid inboezemt? Dat wil ik in deze essays proberen te doorgronden. Met de nodige omwegen en zonder de pretentie dat ik álle elementen en redenen zal opduikelen. Daarvoor ben ik te weinig onderlegd en daartoe is jouw zaak – buiten je wil om – te ingewikkeld en te politiek beladen.

Een Oude God

Vroeger! Ja – vróéger! Tijdens de kanteldagen van de Tweede Wereldoorlog! Toen kon een mens in Mortsel tragisch en langdurig betreurd om het leven komen, in een bijna Bijbels armageddon. Indien hij tenminste het ongeluk had om te wonen in de wijk die, wrang toepasselijk, nog steeds ‘Oude God’ heet.

Toentertijd lag die wijk naast een fabriek waar de Duitse bezetter zijn jachtvliegtuigen repareerde. De wind stond ongunstig op die prachtig-wrede lentedag in april 1943, en het afweergeschut had verwarring gezaaid, en misschien waren de geallieerde piloten domweg uitgeput van een vorige raid. Ze gooiden hoe dan ook hun lading rampzalig slordig af, tijdens een van de zwaarste bombardementen in de Benelux. De Duitse vliegtuigfabriek kreeg enkele voltreffers te verduren, de meeste projectielen troffen echter woonhuizen en scholen. Friendly fire, collateral dammage. In het Engels klinken zulke termen als verzen van W. H. Auden. In de blote cijfers echoot enkel de catastrofe na. Meer dan negenhonderd doden. Een kwart daarvan kinderen, van zuigelingen tot scholieren.

Hoe plaats je zulke macabere aantallen in perspectief? Door even macabere voorvallen te citeren. Het legendarische bombardement van Rotterdam bijvoorbeeld. Drie jaar eerder, mei 1940. Die beproeving kostte ‘slechts’ achthonderd levens.

En die bommen waren dan nog gedropt door een vijand.

‘Bevriend vuur’? Niet alleen op de dag zelf van een ramp klinkt die term als ondraaglijk misplaatste poëzie. Hij woekert daarna jarenlang onderhuids voort. Subversieve etter, ijselijk gangreen dat geen behandeling mag krijgen. Want ‘bevriend vuur’ houdt een vernedering in aan het adres van de overwinnaar. Uitgerekend op het moment dat die zich almachtig waande, en gerechtigd tot het plegen van álle geweld dat hij nodig achtte om ons gezamenlijk doel te bereiken: de overwinning, onze vrijwaring, ons recht.

Het bestaan van ‘vriendelijk vuur’ beschaamt het palmares van onze helden. Het is een roestende kras op het blazoen van hun rechtschapenheid en het vormt – ergst van al – een aantasting van hun legitimiteit óm te doden. In tijden van oorlog, en van elke andere ‘hoge nood’, mag een held bij het botvieren van zijn daadkracht geen twijfels ervaren. Na afloop mag hij er ook geen verwijten over ontvangen. De overwinning, zelfs als ze nog lang niet is behaald, wast bij voorbaat zijn vergissingen wit, zelfs als die vergissingen wandaden zijn. De meest intense lofzang voor een overwinnaar is dan ook de stilte die wij omtrent zijn blunders en zijn vergrijpen in stand houden. Het zingende zwijgen verbergt onze collectieve schuld.

Daarom moeten onschuldige, en zelfs te vermijden, slachtoffers jarenlang en steeds hardnekkiger ‘collaterale schade’ worden genoemd. Lees: ‘een verwaarloosbaar verlies, in het licht van het groter geheel’. Voor slachtoffers is dat een belediging. Voor daders en hun opdrachtgevers is het een bezwering.

Maar te vaak wordt die bezwering ook een vrijbrief om nog meer collaterale risico’s te nemen. Waarom niet? Het gaat toch maar om ‘onvermijdelijke nevenschade,’ gedekt door de omstandigheden en door een immer begripvolle leiding. ‘A la guerre comme à la guerre!’ ‘Waar gehakt wordt vallen spaanders!’ Met deze stoplappen vrijwaart een gezagdrager zijn manschappen tegen de gedachte dat legitieme wreedheid de perken te buiten kán gaan. Zo ontslaat hij zijn voetvolk van gewetensnood, en zichzelf erbij. Semper fidelis! Voor altijd trouw! Samen ten aanval, samen ten onder!

Dat eeuwenoude ritueel van verbondenheid onder krijgers kan het leed van onopzettelijke slachtoffers decennialang overtroeven. Pas eenenzestig jaar na het bombardement van Oude God kreeg de gemeente Mortsel erkenning van zijn status als – tja, wát? Collateraal rampgebied? Haardplek van Bevriend Vuur? Om het even. In het belang van het grotere goed, en om de zielenrust van bombardeurs en piloten niet te veel te verstoren, werd er meer dan zestig jaar geallieerd gezwegen en bij herdenkingen de andere kant opgekeken. A la guerre comme à la guerre!

Ook na zestig jaar vrede.

Een onverwacht gedoogbeleid

Is er, beste Jonathan Jacob, in jouw dossier iets soortgelijks aan de gang? Ik vrees van wel, ofschoon uiteraard op een dwergschaal, vergeleken bij historische bombardementen en massamoorden. Al kan men die schaal ook omdraaien. Als men in Mortsel al zestig jaar officieel kan zwijgen over meer dan negenhonderd burgerdoden, onder wie tweehonderd kinderen? Wat zou men dan zijn hand omdraaien om te zwijgen over één verrot geslagen amfetamineslikker?

Kleine schaal of grote schaal – het procedé blijft hetzelfde. Dragers van een uniform bieden de maatschappij bescherming, ze lopen daarbij vaak groot gevaar, maar ze verwachten en verkrijgen in ruil daarvoor al te vaak een aparte bescherming, alleen voor zichzelf. Zulke uitzonderingsprivileges kunnen op hun beurt weer leiden tot gevoelens van onaantastbaarheid en tot het gaandeweg installeren van gemaskeerde vormen van straffeloosheid.

Is dat een uitzinnige veronderstelling, Jonathan? Na amper tien minuten surfen vond ik onderbouwing. ‘Criminele agenten krijgen zeven keer meer opschorting van straf dan burgers’, stelde Frank Schuermans in 2007. Schuermans was toen lid en raadsheer van het Comité P, dat alle Belgische politiediensten controleert. Hij schreef zijn bevindingen neer in het vakblad Panopticon.

In de provincie Antwerpen, zo wees zijn onderzoek uit, liep de scheve verhouding tussen burger en wetsdienaar op tot een twintigvoud. De helft van de geüniformeerde Antwerpse veroordeelden kreeg zodoende na zijn veroordeling geen enkele straf opgelegd, ‘teneinde (hun) wederaanpassing in de samenleving niet in het gedrang te brengen.’ Zeg nu nog eens dat vaktijdschriften geen humor bevatten.

Opschorting is overigens ‘een gunst’, benadrukte Schuermans, die thans advocaat-generaal is bij het hof van beroep in Gent. Wie die ‘gunst’ moge verlenen? Het werd mij niet duidelijk. Ik weet één ding zeker. Het is niet koning Filip. De publieke deining liet zich gevoelen op de schaal van Richter.

Meestal echter, vervolgde Schuermans in Panopticon, komt het niet eens tot een veroordeling. Er heerst ‘een strafrechtelijk gedoogbeleid tegenover rotte appels binnen de politie’. Ook als ze wel gestraft worden, zijn de sancties immers ‘te klein,’ met ‘ernstige normvervaging’ als gevolg. ‘De meeste criminele politieambtenaren waren er kennelijk van overtuigd dat ze hun crimineel gedrag nog jaren zouden kunnen voortzetten zonder ooit tegen de lamp te lopen.’

Schuermans kaart nog andere misbruiken aan, van geknoei met overuren en ‘fietsvergoedingen’, tot en met het gebruik van ‘valse of fictieve getuigen bij zaken van vluchtmisdrijf’. Maar ach, een beetje gesjoemel hier en daar? ‘Ook onze flikken zijn Belgen zoals u en ik!’ Zo zou men zich ervan af kunnen maken. Zo hébben enkele commentatoren er zich ook van afgemaakt, in 2007. De bevoegde politici zwegen dan weer, of richtten werkgroepen op, waarvan later niet veel meer is vernomen.

Advocaat-generaal Schuermans, tot nader order een Belg, maakte zich er niet van af. ‘De politie heeft een voorbeeldfunctie, veel macht en het quasi-monopolie van geweldsuitoefening. (…) De burger mag dan ook morele onberispelijkheid verwachten. Inspecteurs mogen zwaarder gestraft worden dan gewone burgers. En als ze veroordeeld zijn, moeten ze worden verwijderd uit het korps. Er zijn kandidaat-politiemensen genoeg. Jaarlijks zo’n veertienduizend voor twaalfhonderd vacatures.’

Een onverwacht gebed

Dat artikel in Panopticon dateert van eind 2007, Jonathan. Jij bent doodgeslagen in de eerste maand van 2010. Waren de straffeloosheid en de normvervaging inmiddels totaal weggewerkt?

Ik hoop hartgrondig van wel. Zo niet is de waarheid nog gruwelijker. Dan ben jij niet vijf keer met de blote vuist op je bovenlichaam geslagen door een agent met de codenaam ‘Hollywood’ omdat hij leed aan angst of oververmoeidheid of stress of doorslaande stoppen. Maar omdat hij – al had hij jouw dood vast niet voor ogen – er bij voorbaat op rekende dat zijn excessief geweld hem nooit zou worden aangerekend.

Als dat klopt, sloegen vijf van onze wetsdienaren niet alleen een scheur in jouw lever, maar in heel ons maatschappelijk weefsel.

Dit is het eerste deel van een vierdelig kerstpamflet van Tom Lanoye.

 

 Morgen

 

Deel 2: Nine Eleven aan de Schelde