Confederaal  is verre van ideaal
Spoorwegen lopen door heel België, waardoor defecten in één landsdeel onvermijdelijk een effect hebben op de andere regio’s. Foto: Bart Dewaele

De N-VA heeft het begrip confederalisme ingekleurd, en dat valt nog het beste samen te vatten als non-federalisme. Volgens Willem Sas dreigen die plannen de welvaart naar beneden te halen – ook de Vlaamse.

Wie? Doctoreert aan het Centrum voor Economische Studies van de KU Leuven, over ‘Fiscal Federalism’.

Wat? Wegens het voordeel van de schaalgrootte is het beter om bepaalde bevoegdheden federaal te houden.

Sinds vorige week weten we wat confederalisme betekent voor de N-VA: het federale bestuursniveau wordt opgedoekt. Hierbij blijft enkel defensie, de staatsschuld en zaken die we van Europa niet mogen decentraliseren, zoals de btw, (con)federaal. Dat dit voorstel politiek onhaalbaar is, weten we ondertussen. Maar zelfs al zouden we rimpelloos kunnen evolueren naar zulk een systeem, dan nog schiet het zijn doel voorbij. Het garandeert verre van de welvaart van de Vlaming. Simpelweg alles opsplitsen staat immers haaks op wat het optimaal inrichten van een federatie inhoudt: een afweging van welvaartseffecten.

Het komt erop aan om net die bevoegdheden over te hevelen waarvoor de voorkeuren of noden verschillen van regio tot regio. Regionale overheden staan dichter bij hun burgers, en kunnen beter dan de federale overheid achterhalen wat er leeft bij de bevolking. Wanneer we dan bevoegdheden decentraliseren die persoonsgebonden zijn (zoals aspecten van het gezondheidsbeleid of de bijstand aan personen), of gebonden aan regionale noden (zoals economie, arbeidsmarktbeleid of onderwijs), zullen deze beter afgestemd zijn op lokale voorkeuren en situaties. Dit heeft een welvaartsverhogend effect, in die zin dat iedereen beter af zal zijn. Decentralisatie brengt het beleid ook dichter bij de burger, maakt het zichtbaarder. Daardoor kunnen kiezers de slagkracht en doelmatigheid van hun overheid beter inschatten, om die dan te belonen met een herverkiezing.

Serieuze schep

In België gaan we daar al ver in: werkgelegenheid, landbouw, economie, openbare werken, energie, transport, ruimtelijke ordening en stedenbouw werden overgedragen aan de gewesten. De gemeenschappen kregen onderwijs, talen, het gezondheidsbeleid, de hulp aan personen en cultuur toegewezen. De zesde staatshervorming doet daar nog een serieuze schep bovenop, met bijvoorbeeld arbeidsmarktbeleid voor de gewesten, en de kinderbijslag en ouderenzorg voor de gemeenschappen.

Vanaf 2015 zullen de regionale en gemeentelijke niveaus verantwoordelijk zijn voor 45 procent van de totale uitgaven, waarbij de gewesten en gemeenschappen meer dan 31 procent voor hun rekening nemen. Kijken we naar andere federaties binnen de Oeso, dan kunnen we ons stilaan een volwassen federatie noemen. Het zijn steeds dezelfde zaken die overal werden gedecentraliseerd.

Maar elke afweging kent ook een keerzijde. Er zijn namelijk goede redenen om bevoegdheden op het federale niveau te houden. Het loont om voor omvangrijke of uniforme bevoegdheden zoals defensie, buitenlandse zaken of de pensioenen de wet van de toenemende schaalvoordelen te laten spelen. Dat maakt ze kosten-efficiënter, en dus minder duur voor iedereen. Voor die elementen uit de sociale zekerheid met een sterk verzekerend karakter, zoals werkloosheidsbijstand, ziekte-en invaliditeit- of arbeidsongevallenverzekering, leert de economische theorie voorts dat de risico’s beter gedekt zijn hoe breder de ‘pool’ van bijdragers. Als automatische stabilisator houden we de werkloosheidsbijstand trouwens best zo centraal mogelijk, zodat regionale economische schokken beter worden opgevangen.

Concurrentie

Ook concurrentie-effecten spelen een rol. Decentraliseren we bijvoorbeeld de hele sociale zekerheid, dan riskeren we een zogenaamde ‘race to the bottom’. Rijke mensen verhuizen dan naar de minst herverdelende deelstaat, waardoor overheden net minder gaan herverdelen om hun rijkere belastingbetalers niet te verliezen.

We komen zo uit op een niveau van herverdeling dat lager uitvalt dan algemeen gewenst. Zo’n situatie zal zich gegarandeerd voordoen in Brussel als de N-VA haar zin krijgt, waarbij Brusselaars elke drie jaar zullen kunnen kiezen tussen een Vlaams, of Franstalig stelsel. Verhuizen is zelfs niet nodig.

Een laatste effect dat de welvaart naar beneden haalt tenslotte, is dat van de ‘spill-overs’. Hierbij kijken regionale overheden niet naar de effecten van eigen beleid op andere regio’s, met alle gevolgen van dien. De spoorweginfrastructuur is een mooi voorbeeld. Spoorwegen lopen doorheen heel België, waardoor defecten in één landsdeel onvermijdelijk een effect hebben op de andere regio’s. Maar een regionale overheid kijkt enkel naar haar eigen gebied, en zal zo bijvoorbeeld minder middelen steken in het onderhoud van seinhuizen aan haar grenzen.

Om al deze redenen hielden we in België, net zoals in alle federaties, de opgesomde bevoegdheden federaal. Maar voor de N-VA hoeft deze rationele afweging dus niet meer, alles moet worden gesplitst. Men riskeert zo een aanzienlijke welvaartsdaling in ruil voor volkomen autonomie, waarvan de meerwaarde niet te onderbouwen valt binnen de economische theorie van het federalisme. Willen we komen tot een echt ideaalbeeld, dan hebben we politici nodig die eenzelfde taal spreken, figuurlijk dan. Die van de ratio.