Er zijn meer rechtse journalisten nodig
Foto: rr

De recente Journalistenenquête, de bevraging van de Belgische journalisten die om de vijf jaar gepubliceerd wordt, leert ons best wat opvallende zaken. Dat 85 procent akkoord gaat met de stelling dat het nieuws vandaag sensationeler is dan vijf jaar geleden, daar schreef ik maandag en dinsdag al over op mijn ombudsblog.

Hier wil ik het hebben over een ander heet hangijzer dat dikwijls genoeg opduikt in kritische of zelfs afwijzende reacties van lezers: de private politieke voorkeur van de journalisten. Uit deze bevraging (bij 1.640 Vlaamse en Franstalige journalisten) blijkt dat 56 procent zichzelf links van het centrum situeert. 27 procent situeert zichzelf in het centrum, en 17 procent noemt zichzelf rechts.

Dat is geen verrassing. Journalisten blijken wereldwijd, en over de decennia heen, in meerderheid een (gematigd) links profiel te hebben. De Journalistenenquête van 2008 kwam tot een gelijkaardig resultaat: 34 procent van de Vlaamse journalisten had bij de verkiezingen van 2007 gestemd voor het kartel SP.A-Spirit, 20 procent voor Groen, 20 procent voor Open VLD, en 18 procent voor het kartel CD&V-N-VA.

Het lastige aan de vaststelling is dat ze meer lijkt te bewijzen dan ze bewijst. Rechtse lezers gebruiken de cijfers graag om hun perceptie te onderbouwen dat het nieuws zélf ‘links’ zou zijn. Politici van rechtse partijen zouden dan benadeeld worden. En gezien de electorale score van rechtse partijen vandaag zou het nieuws niet representatief zijn voor het wereldbeeld van de overgrote meerderheid van de burgers.

Het is een stelling die Siegfried Bracke bijvoorbeeld graag herhaalt. Recent nog zei hij in Knack: ‘Uit onderzoeken naar de politieke voorkeur van journalisten blijkt telkens weer dat 80 procent van hen links georiënteerd is.’ (Knack, 28 augustus) Ook in 2011 al sprak hij over die 80 procent: ‘Ik vind het altijd bijzonder bemoedigend als ik die cijfers over het stemgedrag van journalisten lees: tachtig procent stemt links. Bij de kiezers is dat juist omgekeerd.’ (Ook Knack, 12 januari) Kan u hem eens vragen waar hij dat percentage vandaan haalt? Is 54 procent niet genoeg?

De relatie tussen het wereldbeeld van de journalist, en het nieuws als dusdanig, is complexer dan dat. Ten eerste worden in deze enquêtes àlle journalisten bevraagd, ook zij die over onderwerpen schrijven zonder ideologische inslag. Maakt het uit of sportjournalisten links of rechts zijn? Slechts 21 procent van de journalisten geeft in deze enquête aan dat ze gespecialiseerd zijn in politiek.

Ten tweede: al wie beweert dat hij de onderzoeken naar de politieke voorkeur van journalisten gelezen heeft, moet ze wel volledig lezen. Er staat meestal bij dat ze hun persoonlijke overtuiging ondergeschikt maken aan de ‘professionele afstand’ die het beroep vereist. De aard van de journalistieke methode zelf, de waarden die gelden binnen de beroepsgroep, verhinderen een rechtstreekse beïnvloeding. Ook dat blijkt uit deze enquête. Gevraagd naar wat ze de belangrijkste doelen vinden, zegt 94 procent ‘objectieve informatie verschaffen’. Slechts 26 procent: ‘de publieke opinie beïnvloeden’.

Dat alles gezegd zijnde, maak ik me wel zorgen over het hoge percentage linkse journalisten. Niet omdat ik geloof in een rechtstreekse beïnvloeding – nee, ik maak me zorgen om dezelfde reden als ik me zorgen maak over het lage aandeel vrouwen, of mensen met een andere etnische achtergrond.

Ook daar staan verontrustende cijfers over in deze enquête. Bij de journalisten onder de 35 jaar is de verhouding tussen mannen en vrouwen ongeveer gelijk. Maar in de categorie tussen 35 en 44 jaar loopt het percentage vrouwen terug tot 37 procent. En bij de 55-plussers is zelfs nog maar 20 procent vrouw! Toen hetzelfde patroon zich bleek voor te doen bij het academisch personeel, is daar in april van dit jaar nog een hele week debat over gevoerd op deze opiniepagina’s.

Je zou kunnen zeggen: het doet er niet toe hoeveel journalisten er vrouw zijn, want de journalistieke methode, en het grote belang dat wordt gehecht aan objectiviteit, maakt dat irrelevant: vrouw of man, oud of jong, rechts of links, ze maken allemaal hetzelfde verslag. Dat gelooft niemand – dat zou de journalist herleiden tot een robot. Tegelijk gelooft ook niemand dat er een rechtstreekse invloed is: vrouwen behandelen vrouwelijke politici, bijvoorbeeld, niet per definitie met meer sympathie. Het gaat om een onrechtstreekse invloed: door de aanwezigheid van mannen én vrouwen op een redactie ontstaat er meer debat, meer invalshoeken, men boort andere netwerken aan,… Hetzelfde hoopt men ooit te bereiken met journalisten van een andere etnische afkomst, van wie er nu amper 3 procent in Vlaanderen aan het werk is.

Waarom zou dat voor rechtse journalisten anders zijn? Als het goed is, zal een rechtse journalist een rechtse politicus even kritisch interviewen als zijn linkse collega. Maar op de redactie zal er meer debat ontstaan, en dus ook betere journalistiek.

Maar ja, zucht men dan, zoals men zucht als het gaat over vrouwen en allochtonen: je moet ze wel eerst vinden, hé…