Is een 21-urenwerkweek de toekomst?
Foto: jobat.be
Ook al lijkt het nu niet zo, toch nam de economische groei in het Westen decennialang toe. Het welzijnsniveau - niet te verwarren met welvaart - volgde die stijging echter niet. We voelen ons dus niet per se beter als de economie beter draait. De Britse econoom Andrew Simms heeft zo zijn ideeën over hoe dat komt en serveert meteen ook enkele verregaande oplossingen, waarvan de 21-urenwerkweek de opmerkelijkste is. Op zijn doortocht in Brussel laveert Simms tussen groengetinte utopie en realpolitik.

‘Hoe komt het dat het Westen, ondanks decennialange economische groei, er niet in geslaagd is het welzijnsgevoel van zijn inwoners te verbeteren?’ Op die vraag wil de ETUI-conferentie een antwoord van Andrew Simms, voor de gelegenheid in debat met de Brusselse filosoof Philippe Van Parijs.

Veruit het opmerkelijkste plan dat Simms presenteert om het welzijn op te krikken, is een radicaal kortere werkweek. De werkweek wordt herleid tot 21 uur, of nog ternauwernood drie volledige werkdagen. In een wereld van vijfdagenwerkweken, voor veel werknemers nog aangevuld met een aantal overuren, klinkt het idee wel erg utopisch. Toch is Simms niet van zijn stuk te brengen. ‘De econoom John Maynard Keynes becijferde al in de jaren ’30 dat we ooit op 15 uur per week zouden uitkomen, doordat de arbeidsproductiviteit toenam; de verkorting van de arbeidsduur is al minstens een eeuw een trend.’

Van Parijs is echter niet zo overtuigd van Simms’ 21-urenplan. ‘Wie werk heeft, klopt inderdaad vaak langere uren. Maar als je het niet-actieve deel van de beroepsbevolking in de berekening betrekt, kom je uit op een gemiddelde dat rond de 21 uur zal schommelen. De verhouding tussen werkenden en niet-werkenden zit scheef.’

Simms countert: ‘We evolueren sowieso naar een kortere werktijd; in Nederland kunnen beginnende werknemers nu al opteren voor een vierdagenwerkweek. Een betere verdeling van het beschikbare werk over de beroepsbevolking zorgt ervoor dat meer mensen de voordelen kunnen genieten die tewerkstelling met zich meebrengt. En tegelijkertijd hebben werknemers meer tijd om zich te wijden aan verenigingsleven, aan hun gezin en hun persoonlijke interesses. Inderdaad, die aspecten van een subjectief welbevinden die zich niet in economische statistieken laten vatten.’

>

>

>

>