Eenheidsstatuut is rode lap

Het ongeloof bij werknemers en werkgevers is groot dat tegen begin juli 2013 de verschillen in statuut tussen arbeiders en bedienden weggewerkt kunnen worden. 

Dat blijkt uit een rondvraag van het uitzendbedrijf Tempo Team op de werkvloer. Arbeidsrechtexpert Stefan Nerinckx schrok er gisteren niet voor terug om te voorspellen wat er gaat gebeuren als de timing niet wordt gehaald. ‘Dan zullen rechtbanken niet anders kunnen dan arbeiders te laten profiteren van de veel langere opzegtermijnregeling van de bedienden.’

De recente rondvraag bij ruim 200 werkgevers en bijna 530 werknemers leerde alvast dat niet enkel de bonzen van de vakbonden en werkgeversorganisaties grondig van mening verschillen over de gelijkschakeling van de statuten.

Werknemers en werkgevers ondervragen over het eenheidsstatuut heeft veel weg van het zwaaien met een rode lap. Ook op de werkvloer botsen werknemers en bedrijfsleiders frontaal over het zogenaamde eenheidsstatuut. Vooral arbeiders staan lijnrecht tegenover hun werkgevers.

Ter illustratie: een wet uit april 2011 die een eerste weliswaar bescheiden stap was om de opzegtermijnen van arbeiders en bedienden te harmoniseren, vindt geen genade in de ogen van arbeiders. Slechts tien procent van de ondervraagde arbeiders bestempelt deze wet als een verbetering.

Andere opvallende vaststelling: zowel bij de werknemers als bij de werkgevers is het wantrouwen tegenover een eenheidsstatuut groot. Rode draad bij de werknemers is dat ze geen rechten willen verliezen. Voor bedrijven staat gelijkschakeling van statuten synoniem voor onbetaalbaar.

Wat de financiële kant betreft zitten de werknemers en werkgevers bovendien in de loopgraven; blijkt uit de enquête. Ruim 60 procent van de werknemers wil dat de kosten van de gelijkschakeling integraal door de werkgevers en de overheid gedragen wordt.

Bij de werkgevers stellen de kmo’s zich het hardst op. Bijna de helft (43 procent) stelt dat werknemers door het eenheidsstatuut aan rechten moeten inboeten. Bij de grote bedrijven deelt maar 36 procent deze mening.

De rondvraag leert verder dat vooral de standpunten over de opzegtermijnen zeer sterk verschillen. Maar ook over de gelijkschakeling van de proefperiode lopen de meningen van werkgevers en werknemers zeer uiteen. Het is geen toeval dat vandaag de statuten van arbeiders en bedienden zeer sterk verschillen wat de proefperiode en opzegtermijnen betreft. Arbeiders kunnen maximaal twee weken proefdraaien, bedienden 6 of zelfs 12 maanden. Wat de opzegtermijn betreft: het maximum voor een arbeider is ruim 120 dagen. Voor bedienden kan het oplopen tot 750 dagen.

Opvallend is wel dat de werkgevers intern vrij verdeeld lijken. Ongeveer de helft van de bedrijven vindt het zelfs niet nodig dat de opzegtermijnen en proefperiode van arbeiders en bedienden gelijk moeten zijn. Kmo’s en grote bedrijven zitten ook niet op dezelfde lijn als de vraag wordt gesteld over de carensdag. Arbeiders krijgen voor hun eerste ziektedag geen loon uitgekeerd. Bij bedienden loopt het loon door. Eén op de twee kmo’s vindt dat de carensdag ook moet gelden voor bedienden.

Op de vraag wat de gevolgen zijn van een mogelijke afschaffing van de carensdag, stelt 41 procent van de kmo’s maar slechts 27 procent van de grote bedrijven dat dit een onbetaalbare maatregel is. De gelijkschakeling van het statuut van arbeiders en bedienden vloeit voor uit een arrest van het Grondwettelijk Hof uit 2011.

Het hof vond de carensdag en de veel beperkte opzegtermijn voor arbeiders in strijd met het grondwettelijke beginsel dat elke Belg gelijk is voor de wet.