LETTERLIJK: hervorming steun voor groene stroom
Foto: if
De Vlaamse regering hervormt de steun aan groene stroom. Het gaat om een groot pakket aan maatregelen en veranderingen aan bestaande subsidiesystemen. Hierbij vindt u de hele persmededeling van de Vlaamse regering.

De steun voor groene stroom en WKK (warmtekrachtkoppeling) heeft er de afgelopen jaren voor gezorgd dat de productie van schone energie in Vlaanderen van de grond is gekomen. Er werd de afgelopen jaren zelfs zo veel in groenestroomproductie geïnvesteerd dat het systeem het slachtoffer is geworden van zijn eigen succes.

Zo leidde de oversubsidiëring van zonnepanelen ertoe dat het maatschappelijk draagvlak voor hernieuwbare energie afkalfde. Tegelijk kwamen er door de hoger dan verwachte productie meer groenestroomcertificaten op de markt dan nodig, waardoor de producenten hun certificaten niet meer verkocht krijgen en investeringen onrendabel dreigen te worden. In dat klimaat wordt er niet meer geïnvesteerd.

Minister Freya Van den Bossche gaf vorig jaar de opdracht om het bestaande steunmechanisme grondig door te lichten. Het Vlaamse Energieagentschap VEA en de Vlaamse regulator VREG vroegen input aan alle mogelijke betrokkenen –van consumentenorganisaties over milieubewging en vakbonden tot bedrijfsorganisaties en de groene producenten zelf- en leverden eind vorig jaar een onderbouwd beleidsadvies af.

Op basis daarvan, en mee geïnspireerd door een gezamenlijk advies van de SERV en de MINA-raad, kwam de Vlaamse regering vandaag tot een evenwichtig akkoord over de hervorming van de certificatensystemen voor groene stroom en WKK.

De doelstellingen van de hervorming zijn:

1. Meer groene stroom produceren in Vlaanderen
2. De kost per opgewekte hoeveelheid stroom fors inperken
3. Investeerders in groene energie maximale zekerheid bieden
4. De kosten van het steunmechanisme correct spreiden over alle verbruikers
 

1. Naar 20,5 procent groene stroom in 2020
Het ambitieniveau in het energiedecreet wordt gevoelig opgetrokken. Vandaag ligt de doelstelling voor de productie van groene stroom op 13 procent tegen 2020. Die doelstelling wordt opgetrokken. Concreet wordt er een groeipad in het decreet geschreven dat leidt van 14 procent in 2012 naar 20,5 procent in 2020.


2. Geen oversubsidiëring meer
Die verhoogde ambitie is slechts te verantwoorden als we de energieverbruikers kunnen garanderen dat er enkel investeringen worden gesubsidieerd, en geen winsten. Elke vorm van oversubsidiëring moet eruit. De kost per opgewekte hoeveelheid groene stroom kan immers fors omlaag. De hervorming die de regering vandaag heeft goedgekeurd, garandeert dat alle overtollige steun uit het systeem gehaald wordt.

Hoe gaat dat concreet in zijn werk?

a. De juiste steun voor elke technologie
Vandaag krijgt elke groenestroomproducent één certificaat per opgewekte megawattuur elektriciteit. Dat certificaat kan hij verkopen aan een leverancier, die verplicht is jaarlijks een bepaalde hoeveelheid certificaten in te leveren bij de VREG. Tot vorig jaar schommelde de marktprijs van een certificaat rond 107 euro. Of je nu een windmolen bouwde die 97 euro steun nodig heeft om rendabel te zijn, of een biomassacentrale die 75 euro nodig heeft, je kreeg voor elke groene megawattuur dezelfde steun. Dat systeem leidt automatisch tot overbodige winsten.

Voortaan zal elke technologie exact krijgen wat ze nodig heeft om rendabel te zijn. Een certificaat zal in het nieuwe systeem ongeveer 97 euro waard zijn. Elke technologie zal een verschillend aantal certificaten krijgen om de juiste steun te bereiken. Stel: je bouwt een windmolen die 97 euro nodig heeft, dan krijg je één certificaat. Stel: je bouwt een installatie die 48,5 euro nodig heeft om rendabel te zijn, dan krijg je een half certificaat per opgewekte megawattuur.

b. Permanente afstemming van de ondersteuning op de reële nood
Een nieuw Observatorium bij het VEA zal het steunmechanisme permanent monitoren, zodat de steun afgestemd blijft op de reële noden. De oversubsidiëring van zonnepanelen was het gevolg van het feit dat zij een uitzonderlijk hoge prijs konden krijgen bij de netbeheerders voor hun certificaten. Die minimumsteun lag vast in het decreet, en de aanpassing ervan vergde een lange procedure. Toen de prijzen van zonnepanelen gingen dalen, ontstond er oversubsidiëring. De overheid greep in, maar de markt was inmiddels weer geëvolueerd met nieuwe oversubsidiëring tot gevolg.

In het nieuwe systeem zal het Observatorium ervoor zorgen dat die markt permanent wordt geëvalueerd en de steun bijna als vanzelf wordt aangepast aan de reële noden. Stel: een nieuwe windmolen die vandaag nog 97 euro nodig heeft, wordt over een paar jaar goedkoper en heeft maar 75 euro meer nodig. In dat geval zal de producent die op dat moment investeert in een nieuwe windmolen, maar driekwart van een certificaat meer krijgen, en dus exact de steun die hij nodig heeft. Ook als de elektriciteitsprijs gaandeweg evolueert, kan de steun worden aangepast. Stel dat de windmolen die vandaag gebouwd wordt en nu een volledig certificaat krijgt per opgewekte hoeveelheid stroom, over vijf jaar zijn elektriciteit veel duurder kan verkopen en bijvoorbeeld maar 75 euro meer nodig heeft, dan zal die producent over vijf jaar nog slechts driekwart van een certificaat krijgen.

Samengevat: door de steun exact af te stemmen op de noden, en permanent bij te sturen in functie van een evoluerende markt, verdwijnen overtollige winsten uit het systeem.


c. Steun wordt beperkt in de tijd
De steun zal in de toekomst beperkt worden tot de afschrijvingsperiode van een installatie. Vandaag krijgt een groenestroomproducent –behalve voor zonnepanelen, waar de steun al ingeperkt is- certificaten zo lang zijn installatie draait. Voortaan zal dat nog slechts tien tot vijftien jaar zijn, afhankelijk van de technologie.

d. Boetes voor leveranciers die onterechte marges aanrekenen
Elektriciteitsleveranciers moeten elk jaar een bepaald percentage van de geleverde stroom dekken met groenestroomcertificaten. Het probleem is dat ze tot nog toe niet de reële kost van die certificaten doorrekenen aan hun klanten, maar er een fikse marge op nemen. De VREG heeft daar vorig jaar een onderzoek naar gedaan en per leverancier de onterechte marges publiek gemaakt. Nu wordt er een stap verder gegaan en wordt die praktijk verboden. Leveranciers die toch nog marge nemen, zullen een boete betalen die dubbel zo hoog ligt als het onterecht aangerekende bedrag.

e. Steun voor zonnepanelen daalt naar 90 euro
Zodra deze hervorming in het parlement is goedgeurd, zal de steun voor zonnepanelen verder dalen van 230 euro tot 90 euro per groenestroomcertificaat. Vandaag zijn zonnepanelen zo goedkoop geworden dat een installatie met de huidige steun is terugverdiend in 6 jaar en 9 maanden. Daarna krijgt de eigenaar nog 13 jaar lang steun, bovenop de stroom die hij gratis opwekt. De steun kan dus fors omlaag. Door voortaan nog slechts 90 euro te geven gedurende tien jaar, zal de installatie nog steeds vlot terugverdiend zijn in 10 jaar. Daarna blijft de eigenaar zijn eigen gratis stroom opwekken. Zonnepanelen blijven dus ook met de nieuwe steunniveaus een bijzonder rendabele investering.

3. Zekerheid voor investeerders
Om de ambities te realiseren en meer groene stroom te produceren, is een stabiel investeringsklimaat van het allergrootste belang. Door een aantal ingrepen uit te voeren en enkele mechanismes in te bouwen, zal een stabiele marktwaarde van het groenestroomcertificaat worden gegarandeerd. Zo is elke producent zeker van zijn steun. Vandaag staat de waarde van het certificaat onder druk als gevolg van de grote overschotten die er zijn. Producenten krijgen hun certificaten niet meer verkocht en maken verlies. In dat klimaat komen nieuwe investeringen niet meer van de grond.
Dat wordt onder meer aangepakt door de percentages voor groene stroom gevoelig op te trekken. Daardoor moeten de leveranciers meer certificaten inleveren en worden de overschotten weggewerkt.

Tegelijk zal de Vlaamse regering afspraken maken met de netbeheerders om een groot deel van de certificaten die ze in stock hebben van de markt te halen. Dat grote overschot dreigt in de nettarieven te worden doorgerekend. Daarom zal de Vlaamse regering de netbeheerders een vergoeding betalen om deze certificaten te immobiliseren. Zo lang er voldoende certificaten op de markt zijn en de prijs zou dalen als de stock op de markt komt, zullen de certificaten bijgehouden worden door de netbeheerders. Mochten er de komende jaren tekorten ontstaan, dan zal de stock mondjesmaat op de markt worden gebracht. Op die manier wordt een stabiele marktwaarde van het certificaat gegarandeerd en de investeringszekerheid versterkt. Daarnaast blijft er een gegarandeerde minimumsteun bestaan, waardoor investeerders een sluitend dossier kunnen voorleggen aan de bank wanneer ze investeringskapitaal zoeken.


4. Betere spreiding van de kosten

Vandaag dragen gezinnen en kleine kmo’s proportioneel meer bij tot het systeem dan bedrijven. Dat komt omdat de kosten op twee manieren aan de eindklant worden doorgerekend. Leveranciers die certificaten moeten kopen en inleveren, rekenen die kost door aan al hun klanten: gezinnen én bedrijven. Daarnaast zijn de distributienetbeheerders verplicht de certificaten van zonnepanelen aan een hoge minimumsteun op te kopen. Het verlies dat ze daarop maken, rekenen ze door aan de verbruikers die op het distributienet zijn aangesloten, en dat zijn in hoofdzaak gezinnen en kleine familiebedrijfjes. Die twee groepen dragen dus een proportioneel grotere kost.

a) certificaten weg bij netbeheerders
Door de kost van de zonnepanelen voor nieuwe installaties – en met terugwerkende kracht tot 1 januari 2012 – weg te halen bij de netbeheerders, verschuift de volledige kost naar de leveranciers, die hem doorrekenen aan alle gezinnen en bedrijven.

b) netvergoeding voor zonnepanelen
Daarnaast zullen de netbeheerders een dossier indienen bij de CREG om toelating te vragen een netvergoeding te vragen aan mensen met zonnepanelen en aan de exploitanten van grote zonnepanelenparken. Dankzij de terugdraaiende teller is hun netto stroomverbruik vaak klein of onbestaande: ze zetten energie op het net en halen er ongeveer evenveel terug af. Daardoor betalen ze geen elektriciteit meer, maar ook geen distributienettarieven. Anderzijds gebruiken zij het net evengoed als alle andere verbruikers, en zelfs tweemaal: om er stroom op te zetten en er stroom af te nemen. Voor dat gebruik zullen de netbeheerders hen in de toekomst een vergoeding vragen die afhankelijk is van de grootte van de installatie.

Door de nieuwe zonnepanelen uit de nettarieven te halen, de netvergoeding die de netbeheerders zullen vragen en het feit dat een groot deel van de certificaten van de netbeheerders minstens tijdelijk van de markt worden gehaald, zullen de groenestroomcertificaten in de toekomst geen stijging van de distributienettarieven meer veroorzaken.

c) vrijstellingen voor grote bedrijven
Vanzelfsprekend heeft de Vlaamse meerderheid bij deze hervorming in het kader van het nieuw industrieel beleid ook oog voor de concurrentiepositie van onze bedrijven, die voor een grote tewerkstelling zorgen. Bedrijven die onderhevig zijn aan internationale concurrentie en waarvoor de energiefactuur een belangrijk element is in de concurrentiepositie, zullen gedeeltelijk vrijgesteld worden van de certificatenverplichting. Die vrijstellingen zullen wel afhankelijk zijn van de mate waarin die bedrijven zich engageren tot inspanningen op het vlak van energie-efficiëntie.