Titanic werd zeegraf voor 20 Belgen
Foto: rr
In de nacht van 14 op 15 april 1912 verging het luxeschip Titanic. Van de 2.223 passagiers kwamen er 1.517 om het leven. Aan boord waren ook 27 belgen. Twintig van hen overleefden de ramp niet.

‘Op deze dag is mijn ongelukkige zoon gestorven'

- Jacob Birnbaum (24), Antwerpen

Jacob Birnbaum was de zoon van een Joodse diamantairsfamilie uit Antwerpen. Voorjaar 1912 mocht hij op zakenreis naar het kantoor van zijn vader aan de Amerikaanse westkust. Hij zou op 6april vertrekken, maar omdat dat paaszaterdag was, had de familie liever dat Jacob even bleef voor het paasfeest. Hij boekte zijn reisticket om naar de Titanic, eerste klas. Jacob Birnbaum scheepte in op woensdagavond 10april 1912 in Cherbourg. Hij overleefde de ramp niet.

Twaalf dagen na de ramp werd Birnbaums lichaam uit het water gehaald. De ongelukkige dreef in zijn reddingsgordel en droeg een overjas over zijn pyjama. Hij werd snel geïdentificeerd: hij had een naamkaartje op zak en in zijn gouden ring stonden zijn initialen. Vader Joachim Birnbaum schreef op een kalender van 1912, bij de datum van 15april: ‘Op deze dag is mijn ongelukkige zoon omgekomen in de ramp van de Titanic.'

Jacobs lichaam werd —net als die van ruim 200 andere dodelijke slachtoffers— aan wal gebracht in de Canadese havenstad Halifax. Families die konden betalen voor de repatriëring, kregen het lichaam van hun geliefde thuis bezorgd. De anderen én de niet-geïdentificeerde lichamen werden begraven in Halifax.

Het lichaam van Jacob Birnbaum arriveerde op 21mei 1912 met een schip van de Red Star Line in Antwerpen. Twee dagen later werd hij begraven op een van de grote Joodse kerkhoven in Putte, net over de grens in Nederland. Daarna begon een juridisch steekspel tussen vader Birnbaum enerzijds en de Canadese staat en de rederij White Star Line anderzijds over Jacobs persoonlijke bezittingen. Het duurde een jaar voor Joachim Birnbaum die toegestuurd kreeg.

Geen geld voor repatriëring

- Achille Waelens (22), Ruddervoorde

De jonge immigrant Achille Waelens maakte deel uit van het gezelschap van Zwevezele. Zijn lichaam was het 140ste dat uit het water werd gevist. Omdat zijn familie, arme keuterboeren uit het West-Vlaamse Ruddervoorde, geen geld had voor de repatriëring, werd Waelens op kosten van de White Star Line begraven op Fairview Lawn Cemetery in Halifax, Canada. In juli 1912 moest vader Waelens naar het gemeentehuis van Ruddervoorde komen om de persoonlijke spulletjes van zijn zoon op te halen. Het waren o.a. een pijp, een treinticket naar Stanton in Michigan, een mes, een sleutel en een stel fietsspelden.

Violist op de Titanic

- Georges Krins (23), Luik

Georges Krins begon zijn muziekcarrière in zijn geboortestad Spa, waar hij violist werd in het symfonieorkest. Hij speelde o.a. in Le Tryanon Lyrique in Parijs en in het Ritz Hotel in Londen. Daar werd hij opgemerkt door het impresariaat Black, dat muzikanten engageerde voor de Titanic. Krins kreeg een contract als violist in het trio aan boord — er was ook een kwintet. Zijn taak: het volk uit de eerste klas entertainen in het à la carte-restaurant en in het Café Parisien.

Of de muzikanten tot aan het eind, met hun voeten in het water, muziek hebben gemaakt? Of Krins daarbij was? Of hun laatste melodie Nader mijn God bij U was? Niemand die het met zekerheid weet.

Werknemer in restaurant

- Georges Aspeslagh (26), Oostende

Georges Aspeslagh bracht het in zijn geboortestad Oostende tot ober in het destijds welbekende hotel-restaurant Du Phare op de Zeedijk. De jongeman had ambitie en vond werk als garçon in Londen. Daar moet hij de Italiaanse chef Luigi Gatti tegen het lijf gelopen zijn. Die organiseerde het eersteklasrestaurant op de Titanic en mocht daarbij het personeel kiezen. Hij maakte Aspeslagh in het à-la-carte restaurant verantwoordelijk voor het zilverwerk.

Zijn familie had geen weet van zijn aanwezigheid op de Titanic. Vandaar dat niemand zich zorgen maakte toen het nieuws van de ramp doordrong. Pas weken later raakte Aspeslaghs dood bekend. Het kreeg vier regeltjes in de krant — de ramp met de Titanic was toen alweer naar de achtergrond verwezen.

‘Brave jongens'

- Philemon Van Melkebeke (23), Alphonse De Pelsmaeker (16), Kerksken

Het verhaal van Philemon Van Melkebeke en Alphonse De Pelsmaeker is gelijklopend: twee brave, jonge, harde werkers voor wie in Vlaanderen geen toekomst was en die door hun families vooruitgestuurd werden naar Amerika. De families waren zo arm dat van Philemon en Alphonse zelfs geen foto bestaat.

Drama op de Hille

- Leo (15), Augusta (18) en Jules Vanderplancke (31), Emelie Vandemoortele (31), Victor Vandercuyssen (46), Zwevezele

In 1906 emigreerden de broers Jules en Raymond Vanderplancke van de Hille in Zwevezele (West-Vlaanderen) naar Fremont in de Amerikaanse staat Ohio. Ze werden er allebei ploegbaas in de suikerfabriek. In de daaropvolgende jaren stierven in Zwevezele hun zusje Flavie en hun moeder, en in 1911 deed zich ook in Amerika een drama voor: Raymond verdronk.

Na de begrafenis pende Jules het droevige nieuws neer in een brief aan zijn vader. Hij zei er meteen bij dat Felix, de oudste van het gezin, in de suikerfabriek de plaats van Raymond kon innemen. Felix kreeg toestemming om te vertrekken, op één voorwaarde: hij moest aan Jules zeggen dat hij een keertje naar huis moest komen, want zijn vader miste hem zeer.

Op kerstdag 1911 stond Jules weer thuis op de Hille. Enkele dagen later stierf zijn vader plots. Een nieuw drama.

Half januari 1912 beslisten Augusta en Leo Vanderplancke dat ze met hun broer zouden terugkeren naar Amerika. In februari trouwde Jules in Zwevezele nog met zijn jeugdliefde: buurmeisje Emelie Vandermoortele.

In april scheepten ze in op de Titanic, samen met hun buurman en vriend Victor Vandercruyssen. Niemand van hen overleefde de ramp. Zwevezele was diep onder de indruk van de ramp met de Titanic.

Leerlingen van meester Preneel

- Leo Hampe (19), Nestor Vandewalle (28), Camiel Wittevrongel (36), Westrozebeke

In het West-Vlaamse Westrozebeke verkocht meester Albert Preneel tickets voor de schepen naar Amerika. Hij deed dat niet uit winstbejag, maar uit menslievendheid: hij wilde de sukkelaars uit zijn dorp in Amerika aan een beter leven helpen.

Meester Preneel verkocht drie tickets voor de Titanic aan jongemannen die bij hem in de klas hadden gezeten: Leo Hampe, Nestor Vandewalle en Camiel Wittevrongel. Meester Preneel heeft zich dat zijn hele leven beklaagd, want geen van die drie heeft de Titanic overleefd.

Derde overtocht van ‘de zwarten'

- Jozef Van De Velde (35), Denderhoutem

Ze noemden hem ‘de zwarten' omdat hij mooi zwart haar had. Op 24april 1912, tien dagen na de ramp, schreef de Oost-Vlaamse krant Burgerwelzijn: ‘Maandagavond is te Denderhautem de tijding toegekomen, dat de genaamde Jozef Van de Velde, in de ramp omgekomen is. Jozef Van de Velde laat eene weduwe met vier kinderen achter. Het was reeds de derde maal dat hij naar Amerika vertrok, daar hij de eerste malen om reden van ziekte was moeten terugkeeren. Thans had een vriend hem uit Amerika geschreven dat hij eene goede plaats voor hem gevonden had. De arme man aarzelde niet en vertrok opnieuw om voor de zijnen de kost te winnen. Het moest helaas zijn laatste reis zijn.'

‘Tranen ontrollen uit de oogen'

- Jan-Baptist Van Impe (36), Rosalie Govaert (30), Catharina Van Impe (10), Kerksken

Om het geld voor drie Titanic-tickets bijeen te krijgen, moesten Tist Van Impe en zijn vrouw Roos Govaert alles verkopen wat ze bezaten. Ze deden dat tijdens een openbare verkoop, drie dagen voor hun vertrek. Ze verkochten werkelijk alles: tot de mest op hun erf en de zwangere geit die ze hadden. Samen met hun oudste dochtertje Catharina scheepten ze in; drie jongere kinderen lieten ze achter bij familie en zouden ze later ophalen. Vader, moeder en dochter stierven op de Titanic. Een lokale krant schreef over de herdenkingsplechtigheid: ‘Een blik op de arme weesjes van Van Impe-Govaert deed menige tranen uit de oogen ontrollen.'

‘Vaart wel en tot laters'

- Leo Van Den Steen (28), René Lievens (24), Heldergem

De broers Leo en Henri Van Den Steen en hun vriend René Lievens woonden op de Mottendries in het Oost-Vlaamse Heldergem en wilden in Amerika een bakkerij beginnen. Onderweg, in Antwerpen, kocht Leo een postkaart met daarop het Steen en de Scheldekaaien. Hij verstuurde het kaartje uit Southampton, net voor het vertrek van de Titanic. Het laatste zinnetje: ‘Vaart wel en tot laters.' Leo en René hebben niet ‘wel gevaren'. Broer Henri had meer geluk: hij mocht wegens een oogziekte niet inschepen op de Titanic.