Vandermeersch: 'Hoe kun je scoren als je lezers abonnees zijn?'
Foto: nrc
De lezers van NRC Handelsblad mochten ze afgelopen week dan toch in ontvangst nemen: excuses van hoofdredacteur Peter Vandermeersch voor de - al te optimistische - berichtgeving over het ski-ongeval van prins Friso. Een extern rapport stelt dat verschillende journalistieke principes werden losgelaten door zijn krant. ‘Maar we hebben met de beste bedoelingen gehandeld.’

Hoe is het zover kunnen komen?

‘Ik noem het de perfect storm: een mix van elementen die de situatie erger hebben gemaakt dan je normaal zou verwachten. Ten eerste: we zijn het NRC, dé kwaliteitskrant, en net wij zijn over de rand gegaan. Twee: het ging om een lid van de koninklijke familie, dat ligt sowieso gevoelig. Drie: onze verslaggeefster, die toevallig in Oostenrijk was, heeft haar artikel in de ik-vorm geschreven, wat directer is dan een gewoon artikel. Vier: onze bron was de echtgenoot van de journaliste. En vijf: we hebben de communicatie op de tv nadien niet goed aangepakt.'

'Ik heb op maandag, drie dagen na de publicatie, in De wereld draait door nog ferm
verklaard dat ik het zó opnieuw zou doen. Pas op vrijdag, bij Pauw & Witteman, heb ik deemoedig het hoofd gebogen.’

Als er zoveel ‘verzwarende’ factoren waren, dan hadden er toch ook zoveel alarmbelletjes moeten afgaan?

‘Klopt. Maar het is waar wat Thom Meens, de voormalige ombudsman van De Volkskrant die onze berichtgeving heeft doorgelicht, zegt: dat we een journalistieke tunnelvisie hebben gekregen.'

'We hadden informatie die de negatieve geruchten rond de toestand van Friso kon nuanceren, en we vonden dat de lezer daar recht op had. Alleen: die informatie was maar een deel van de waarheid en heeft verkeerde verwachtingen gecreëerd. Ik blijf er wel bij dat de info in dat eerste artikel, onder meer dat de prins géén schedelbasisfractuur had, correct was. Pas in latere artikels hebben we onjuiste informatie gegeven, onder meer over een MRIscan die toen nog niet was genomen. Maar we hebben met de beste bedoelingen gehandeld.’

Is dat wel zo? Moet u niet gewoon zeggen: ja, we waren euforisch en ja, we dachten: we
gaan scoren?

( ferm) ‘Nee, echt niet. Hoe kun je op die manier scoren in een land waar de meeste krantenlezers abonnees zijn en maar weinig kranten los worden verkocht? Ja, er was euforie, maar alleen omdat we dachten: wauw, we hebben iemand daar in de kliniek, en wauw, zij heeft info die de geruchten nuanceert. In het begin waren we er echt van overtuigd dat we veel genuanceerder en grondiger berichtten dan andere media.’

Het rapport van Thom Meens zegt onder meer dat het NRC geen wederwoord heeft
gevraagd en dat ‘één bron, geen bron’ is.

‘Met dat “één bron, geen bron’’ ben ik het niet eens. Dat geldt voor anonieme bronnen, wij hadden informatie on the record. Maar het klopt dat we wederwoord hadden moeten vragen aan de Rijksvoorlichtingsdienst van het Paleis (RVD). We doen dat hier op de redactie voor de kleinste dingen en toen hebben we het niet gedaan.’

Volgens Meens bent u ook te lang achter uw journaliste blijven staan.

‘Aan de ene kant heeft hij gelijk. Aan de andere kant ben ik daar nog altijd trots op. Het is
mijn taak als hoofdredacteur om achter mijn journalisten te staan - of ervoor, zo je wil. Ik vind ook niet dat zíj in de fout is gegaan: wij als redactie zijn fout geweest, ik evengoed. Bovendien: fouten maken hoort erbij. Elke organisatie maakt fouten, alleen worden die in
ons geval op 300.000 exemplaren gedrukt.’

Wat doet het u als Youp van ’t Hek, columnist bij het NRC, schrijft dat u een idioot bent ‘die vaker op de tv dan op de redactie is’?

‘Dat maakt me diep ongelukkig, omdat ik meer op de redactie ben dan wie ook: van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. Los daarvan: als wij als krant zelf geregeld de maat nemen van politici, bedrijfsleiders en beleidsmakers, dan is het maar fair dat onze columnisten dat ook bij ons doen. Het zou zelfs fout zijn geweest als Youp van ’t Hek dat niet had gedaan.’

‘Ik heb hem, toen zijn column binnenkwam, een sms’je gestuurd dat ik zijn stuk met een
zuinige glimlach zou publiceren en meteen kreeg ik telefoon: “Natuurlijk ga jij die column publiceren, dat doe je elke week!’’ Maar het  is natuurlijk net iets anders als je zelf het voorwerp van de kritiek bent.’