Bart Tommelein over zijn protest tegen loonverlies
Foto: Dominique Jauquet
Een slachtoffer, zo voelt Bart Tommelein (Open VLD) zich, nu de Vlaamse gemeenschapssenatoren moeten inleveren. Weliswaar slechts vijf procent, maar het gaat hem om het principe. ‘Is het echt de bedoeling dat we op de duur het loon van een arbeider krijgen?’

Als iedereen moet inleveren, waarom dan de Vlaamse gemeenschapssenatoren niet?

‘Het klopt dat wij een voorbeeldfunctie hebben en dat we solidair moeten zijn. Maar
daarom hoef ik nog niet gelukkig te zijn dat ik minder ga verdienen. Hoeveel precies, weet ik niet - De Wever zegt 500 euro, andere collega’s 191 euro - maar laten we het op
200 euro per maand houden. Maal twaalf.'

'Dat vóél je. Maar ik ben vooral verontwaardigd over de ongelijkheid die de beslissing
creëert. Gemeenschapssenatoren zitten zowel in het Vlaams Parlement als in de Senaat,
en het is die Senaat die de lonen van zijn senatoren vermindert. Terwijl het Vlaams
Parlement dat niet heeft gedaan. Het perverse gevolg is dat gemeenschapssenatoren, die
twee jobs doen, nu minder verdienen dan hun collega’s die alleen Vlaams parlementslid zijn.’

Is vijf procent van uw wedde de heisa wel waard? U verdient nog altijd goed.

‘On the record zul je geen enkel parlementslid horen klagen, maar in de wandelgangen
wordt vaak gezegd: “In de privé zou ik een stuk meer kunnen krijgen. Of op z’n minst een bedrijfsauto, of een onkostenvergoeding.’’

'Bovendien moeten politici van hun wedde ook allerlei extra uitgaven - verkiezingscampagnes, telefoonrekeningen, een website - betalen. Ik ben absoluut bereid om in te leveren, maar voor sommigen zal het nooit genoeg zijn.'

'We moeten erover waken dat een job in de politiek aantrekkelijk blijft, ook voor mensen
die de stap willen zetten vanuit de privé, zoals ik indertijd heb gedaan.’

Politiek doe je toch ook vanuit een engagement?

‘Ja, maar net om al die mensen met een engagement niet af te schrikken, mag het verschil niet té groot zijn. Anders krijg je alleen vrijgestelden van de mutualiteiten en de vakbonden in het parlement, voor wie dat meer oplevert dan hun gewone job. Of - veel erger nog - je houdt alleen de superrijken over, voor wie 5.000 euro meer of minder niets uitmaakt.'

'Zoals gezegd: ik wil mijn deel doen, maar we werken hard. Op de duur hebben we het loon van een gewone arbeider.’

Is dát niet het probleem? Een goed parlementslid heeft recht op een goed loon, maar er zijn er toch veel die er zich makkelijk vanaf maken.

‘Ik heb in mijn eigen partij veel hardwerkende parlementsleden zien vertrekken, gewoon
omdat Open VLD er de laatste jaren sterk op is achteruitgegaan en ze niet meer verkozen raakten. Dit is een job die weinig zekerheid biedt.'

'Maar het klopt natuurlijk dat andere partijen de afgelopen jaren zo spectaculair zijn gegroeid dat ze soms van één naar meer dan twintig zetels zijn gegaan. En dat daar veel politici tussen zitten voor wie vooral het loon aantrekkelijk is.’

Moeten we niet naar minder, maar betere parlementsleden?

‘Daar gaan we ook naartoe. In 2014 krijgen we een nieuwe Senaat met haast uitsluitend gemeenschapssenatoren, die ook effectief door de gemeenschappen zullen worden betaald. Bovendien hebben we met onze fractie een voorstel ingediend om het aantal parlementsleden sterk te verminderen. De bedoeling is dat er tegen 2014 veertig senatoren minder zijn.’

Als vanaf 2014 niet langer de Senaat de lonen bepaalt, dan lost de ongelijkheid zich
toch vanzelf op?

‘Maar intussen moeten mijn collega-gemeenschapssenatoren en ik wel twee jaar dubbel zo hard werken om minder te verdienen dan de “gewone’’ Vlaamse parlementsleden. Ik vind vooral dát ongehoord: dat de Senaat tot een inlevering heeft beslist zonder eerst met het Vlaams Parlement te overleggen. Dat is geen populisme, het is puur machogedrag tussen de parlementen in dit land: kijk eens wie het best kan besparen! Eerst levert de voorzitter van het Vlaams Parlement in, daarna kan de Senaat natuurlijk niet onderdoen. En daarvan zijn wij, de gemeenschapssenatoren, het slachtoffer.’