De integrale persmededeling van Sven Gatz.

'Ik zie af van mijn parlementaire uittredingsvergoeding.

De voorbije 16 jaar heb ik mij, volgens vriend en vijand, verdienstelijk gemaakt met hard en degelijk parlementair werk. Mijn jaren als volksvertegenwoordiger dreigen nu overschaduwd te worden door de publieke discussie rond mijn uittredingsvergoeding, iets wat ik als trouwe dienaar van de democratie met lede ogen aanschouw.

Het is ironisch, cynisch en zelfs bitter dat ik, die als een van de weinige parlementairen herhaaldelijk concrete voorstellen gedaan heb om de hoogte van de deze vergoeding ter discussie te stellen en af te toppen (waarvoor overigens bedroevend weinig media-aandacht was en alleszins veel minder dan voor de huidige controverse), nu in het oog van de storm ben terecht gekomen. Is het mijn fout dat een meerderheid van de andere parlementsleden deze voorstellen nooit een grondig debat waard achtten, laat staan ze wilden goedkeuren?

Aan allen die de voorbije dagen op een gratuite, betweterige of soms zelfs aggressieve manier hebben gemeend mij de les te moeten spellen vraag ik: was uw boodschap ingegeven door een superieur moreel besef of door afgunst? En zou u de uittredingsvergoeding op basis van een parlementair reglement zonder meer aan u laten voorbijgaan hebben? 99,9% van de parlementsleden deden het in elk geval niet, ongeacht of hun politiek vertrek gedwongen dan wel vrijwillig was.

Ik ben geen heilige (al had ik de eer een staande ovatie bij mijn parlementair afscheid te krijgen, wat mij zeer veel plezier deed) en ook geen duivel (al word ik nu stevig aan de schandpaal genageld, wat mij raakt aangezien ik niet van ijzer gemaakt ben). Ik ben een mens met kwaliteiten en gebreken. Ik zoek naar de reden waarom kiezers die in veel gevallen hun eigen menselijke onvolkomenheden onder de mat vegen van hun volksvertegenwoordigers een leven eisen dat van een hogere morele orde dient te zijn.
Ik heb altijd een gelukkige en een vrije mens willen zijn en worden. Ik geef toe dat ik, zelfs als ervaren politicus, deze situatie niet correct ingeschat heb en het heeft me wat tijd gekost om tot het besef te komen dat ik met minder geld een vrijere mens zal zijn.
 
Hopelijk kan mijn beslissing ook bijdragen tot een politieke oplossing voor het statuut van parlementslid in de toekomst.

Verder zal ik geen commentaar geven over mijn besluit en heb ik geen nood aan welke appreciatie dan ook hierover, behalve van hen die dicht bij mij staan. Ik beschouw deze zaak als afgesloten.'