Op 1 mei komt definitief een einde aan de beperkingen die de oude lidstaten van de Europese Unie mochten handhaven om de instroom van arbeiders uit voormalige Oostbloklanden te controleren.

Op 1 mei 2004 traden Polen, Tsjechië, Slowakije, Hongarije, Slovenië en de drie Baltische staten toe tot de Europese Unie. Uit vrees voor een ontwrichting van hun arbeidsmarkt eisten de vijftien oude lidstaten het recht om het vrij verkeer van werknemers voor deze landen voor een duur van maximaal zeven jaar te beperken.

Met uitzondering van Zweden, Ierland en Groot-Brittannië besloten alle lidstaten beperkende maatregelen te nemen. Sindsdien hebben de meeste landen die barrières al weggehaald. België zette de stap in 2009. Momenteel schermen enkel Duitsland en Oostenrijk hun arbeidsmarkt nog af.

Vrees voor massale toestroom overdreven

Volgens de commissie is gebleken dat de vrees voor een massale toestroom overdreven was. In 2004 woonden één miljoen Oost-Europeanen in een van de oude lidstaten. Dat aantal steeg tot 2,3 miljoen in 2010 en zou tegen 2020 verder toenemen tot 3,9 miljoen, minder dan één procent van de totale bevolking.

In Duitsland worden de komende jaren enkele honderdduizenden arbeiders verwacht, maar die instroom zal volgens de Commissie niet volstaan om de slinkende actieve bevolking te compenseren.

'Opening arbeidsmarkten positief'

De Commissie bestempelt de opening van de arbeidsmarkten als positief. De Oost-Europese arbeiders hebben de werkloosheid in het westen niet opgedreven en hebben evenmin gezorgd voor een neerwaartse loontrend.

De lidstaten kunnen wel nog enkele jaren beperkende maatregelen handhaven voor arbeiders uit Roemenië en Bulgarije. Die traden pas in 2007 toe.