De hoofddoek moet kunnen op school vanaf het vierde jaar middelbaar en in openbare dienst, behalve in het gerecht, politie of leger. Dat is één van de opmerkelijke aanbevelingen van de Rondetafels van de Interculturaliteit die maandagnamiddag in Brussel werden voorgesteld tijdens een slotplechtigheid in aanwezigheid van de bevoegde minister Joëlle Milquet en prins Filip.

Het federaal regeerakkoord van 2008 voorzag de oprichting van de Rondetafels van de Interculturaliteit. Van september 2009 tot eind september 2010 maakten 22 experten een stand van zaken op van de manier waarop ons land omgaat met diversiteit. Ze brachten de problemen in kaart en suggereerden ook een aantal pistes voor oplossingen. Dat resulteerde in 68 aanbevelingen op het vlak van onderwijs, werk, bestuur, huisvesting en diensten, en cultuur en media.

Marie-Claire Foblets, die samen met Christine Kulakowski het verslagcomité voorzat, zag vier krachtlijnen in het eindverslag van de Rondetafels van de Interculturaliteit.

In de eerste plaats wordt het belang benadrukt van non-discriminatiemaatregelen, maar de toepassing ervan blijkt soms problematisch. Anderzijds blijken de maatregelen soms niet te volstaan om discriminatie effectief aan te pakken en is verfijning nodig.

Een derde krachtlijn draait rond de gemeenschappelijke normen, waarbij onder meer verwezen wordt naar de kalender van feestdagen. Een vierde krachtlijn is de opvolging. De aanbevelingen van de Commissie Interculturele Dialoog van 2005 bleven doorgaans dode letter omdat er geen opvolging voorzien was.

De Rondetafels kozen volgens Foblets voor een "bottom up"-benadering waarbij de getuigenissen, klachten en opmerkingen van mensen op het terrein en uit allochtone middens werden vertaald in een reeks probleempunten en aanbevelingen.

Een aantal aanbevelingen zijn daarom ook niet nieuw, andere kunnen dan weer radicaal overkomen. Het evaluatiecomité zet acht van de 68 aanbevelingen extra in de verf, waarvan de symbolische en praktische impact wellicht het sterkst is.

Hoofddoek in hoogste drie jaren middelbaar onderwijs

De twee eerste aanbevelingen handelen over het dragen van levensbeschouwelijke tekenen. Wat de school betreft, beveelt het comité aan decretaal vast te leggen dat het leerlingen van de hoogste drie jaren van het middelbaar onderwijs vrijstaat om bijvoorbeeld een hoofddoek te dragen.

Voor de lagere jaren zou best een verbod gelden. Voor de openbare dienst wordt gepleit voor een algemene vrijheid voor het dragen van levenbeschouwelijke tekenen, met uitzondering van openbare dienstverleners met een gezagsfuncties zoals magistraten, politiemensen en militairen.

Hervorming van de kalender van wettelijke feestdagen

Daarnaast wordt aangedrongen op een hervorming van de kalender van wettelijke feestdagen. Er wordt voorgesteld om 5 feestdagen te behouden (1 januari, 1 mei, 21 juli, 11 november en 25 december).

Daarnaast kunnen er twee vrij gekozen worden volgens de eigen cultuur of religie, en komen er drie nieuwe, niet-religieuze feestdagen: de Internationale Vrouwendag (8 maart), de Internationale Dag tegen het Racisme (21 maart) en de Werelddag van de Culturele Diversiteit (21 mei). Over de gewest- en gemeenschapsfeestdagen spreekt het verslagcomité zich niet uit.

Negationismewet essentieel in strijd tegen racisme

De negationismewet moet worden behouden omdat ze essentieel is in de strijd tegen het racisme. Opmerkelijk is wel dat aanbevolen wordt om de expliciete verwijzing naar de genocide van het Duitse naziregime in de Tweede Wereldoorlog te schrappen, "waardoor het rechter vrij staat de wet ook op andere genociden toe te passen".

Wat het kolonialisme betreft, vraagt men dat de politieke autoriteiten het wel erg problematisch karakter van dit verleden erkennen. "Namen die de mensen afkomstig uit de voormalige kolonies kwetsen, moeten worden verwijderd", luidt het. Op een persbriefing wilde men evenwel niet gezegd hebben dat dit op Leopold II zou kunnen wijzen.

Voorts wordt voorgesteld om na te gaan of het principe van "redelijke aanpassingen", dat in de wet van 10 mei 2007 gebruikt wordt in het kader van de problematiek voor mensen met een handicap, kan toegepast worden in andere situaties, met name waar de religieuze en filosofische overtuiging in het geding is.

Discriminatie op het werk

Het verslagcomité vraagt ook dat er snel werk gemaakt wordt van een socio-economische monitoring opdat discriminatie inzake werk geobjectiveerd kan worden en adequate middelen ingezet worden om ze terug te dringen.

Ook wordt aangedrongen op de uitwerking door de bevoegde overheden van een systeem van tijdelijke quota en op het uitvaardigen van het kb dat de voorwaarden voor positieve acties moet vastleggen, zoals voorzien in de antidiscriminatiewet van 2007.

Opmerkelijk is nog een aanbeveling die het politiebeleid zwaar onder vuur neemt. Zo wordt gevraagd een detentieregister bij te houden waar de verwondingen moeten worden vermeld op het ogenblik van de opsluiting en wordt aangedrongen op het installeren van bewakingscamera’s in commissariaten en politievoertuigen.

Er moet ook een reflectie opgestart worden over de werking van het Comité P, dat toezicht houdt op de politiediensten, "met het oog op het waarborgen van zijn efficiënte werking en een grotere onafhankelijkheid".