De Belgische staatsschuld, die ergens in de loop van de volgende jaren zal moeten gesplitst worden, is om twee redenen zeer bijzonder; ze is een ‘uitschieter’.

In de eerste plaats omdat ze zeer hoog is. Ze is door de jongste crisis weer opgeklommen van ongeveer 80 tot 100 procent van het bbp (de waarde van alle goederen en diensten die we op een jaar produceren). Daarmee behoren we bij de ‘slechte top’ in Europa.

Maar ook inzake samenstelling is ze een uitschieter.

Normaal bestaat de schuld van een staat vooral uit leningen die zijn aangegaan voor investeringen (overheidsgebouwen, wegen, kanalen), aangevuld met leningen die zijn aangegaan om de tekorten op de lopende uitgaven te dekken die bijvoorbeeld ontstaan in crisistijden.

In België bestaat de federale staatsschuld maar voor een klein deeltje uit leningen die aangegaan worden om infrastructuurwerken en zo te bekostigen.

De federale staat investeert immers nog nauwelijks (14 procent); dat doen vooral de gemeenten (48 procent) en de gewesten en gemeenschappen (37 procent).

De meeste van de ruim 350 miljard euro leningen die België heeft lopen, dienen om tekorten op de lopende begroting van vandaag te delgen, en om de leningen te vernieuwen die we twintig jaar lang – van begin de jaren zeventig tot begin de jaren negentig – moesten aangaan om de voortdurende tekorten op de lopende begroting te dekken. Twintig jaar lang slaagden we er toen niet in de tering naar de nering te zetten: we bleven stelselmatig meer uitgeven dan we ontvingen en bouwden zo een enorme schuldenberg op.

Om te vergelijken met de gezinnen: de Belgische schuld bestaat dus vooral uit ‘verbruikskredieten’ en niet uit ‘hypotheekleningen’ en zo.

Daarnaast zijn er nog een pak leningen ingevolge investeringszottigheden van de jaren zeventig: de gevolgen van de toenmalige ‘wafelijzerpolitiek’: onnodige openbare werken die toch maar uitgevoerd werden in het ene landsdeel omdat er in het andere landsdeel een ‘echte’ investering gebeurde. Als er in de Zeebrugse haven een sluis nodig was, werd er ook maar een hellend vlak van Ronquières aangelegd.

Verder zijn er ook nog de leningen die aangegaan werden in de jaren zeventig en tachtig voor de zogenaamde nationale sectoren: subsidies om verlieslatende staal-, mijn-, textiel, glas- en scheepsbouwbedrijven (veel te lang) in stand te houden.