Het aandeel vrouwen onder de leerkrachten in het Vlaamse onderwijs gaat in stijgende lijn. In 1996 waren er uitgedrukt in voltijds equivalenten voor het eerst meer vrouwelijke leraren dan mannelijke. In januari 2009 waren er in het lager onderwijs al 77 procent vrouwelijke leerkrachten en in het secundair 58 procent. Dat blijkt uit het antwoord van Vlaams Onderwijsminister Pascal Smet op een schriftelijke vraag van Veerle Heeren (CD&V).

Het is volgens Smet onmiskenbaar zo dat de functie van de leerkracht in hogere mate wordt geambieerd door vrouwen dan door mannen. Dat blijkt onder meer uit het feit dat opvallend meer vrouwen een lerarenopleiding volgen. De reden waarom mannen zich minder tot het lerarenberoep aangetrokken voelen, heeft volgens Smet te maken met onvoldoende carrièremogelijkheden binnen het onderwijs en de associatie van zorgberoepen en opvoeding van jonge kinderen met vrouwelijke taken.

Hoewel feminisering van het leerkrachtenberoep geen probleem blijkt voor de cognitieve prestaties van leerlingen, zijn er volgens Smet redenen om een evenwicht tussen mannen en vrouwen na te streven.

'Jongeren opvoeden is een maatschappelijke taak die best door mannen en vrouwen in gelijke mate opgenomen wordt. Dat mannelijke leerkrachten oververtegenwoordigd zijn in nijverheidstechnische richtingen en vrouwen in het algemeen secundair onderwijs geeft bovendien een seksestereotiepe boodschap aan jongeren'. Smet wil niet alleen meer mannen aantrekken maar ook meer leerkrachten uit de diverse groepen van de samenleving.