Ludo Permentier opent zijn opinietekst DT-fout is niet dom (DS 21 oktober) provocatief met de zin “Geen enkele fout word je vergeven”. Meteen wijst hij op de spelfout. “Je kunt pas begrijpen waarom wordt voor je hier wel degelijk met een t moet, als je ziet dat het onderwerp ‘geen enkele fout’ is en dat ‘je’ hier de rol van meewerkend voorwerp speelt. Daarvoor is dus grammaticaal inzicht nodig en een gezonde portie twijfel.”

Permentier heeft absoluut gelijk. Met grammaticaal inzicht is dit probleempje zo opgelost en verklaard. De regels van de werkwoordspelling in het Nederlands - de dt-regels dus - horen bij de meest logische systemen die er in taal bestaan. Nood aan een hervorming is er dus allerminst. Maar als je niet over een referentiekader beschikt om te oordelen of een bepaalde schrijfwijze correct is, weet je niet van welk hout pijlen maken en gok je er maar op los.

Gedegen grammatica-onderwijs, waarin je kinderen vanaf de lagere school o.a. vertrouwd maakt met zinsontleding, bevordert hun taalinzicht en dus ook hun spellingvastheid. Precies dat staat de laatste decennia zwaar onder druk. Zinsontleding - op een betrouwbare manier kunnen achterhalen en weten dat ‘geen enkele fout’ onderwerp is en ‘je’ meewerkend voorwerp - is grotendeels uit de leerplannen Nederlands van het lager en secundair onderwijs verdwenen wegens niet “normaal functioneel”: in gewone gesprekken doe je nooit expliciet aan zinsontleding, dus mag dat in een oefenomgeving ook niet. We duiden tijdens de les in een oefening geen meewerkend voorwerp meer aan in een zin, maar laten de leerlingen over hun hobby spreken en hopen dat ze dan vaak genoeg een zin gebruiken met een meewerkend voorwerp in. Mutatis mutandis: we leggen de voorrangsregels in het verkeer niet meer uit; rij maar op en dan snap je na veel blutsen en builen wel dat rechts voorrang heeft.

Dat is natuurlijk klinkklare onzin. Leerplanschrijvers en onderwijsbeleidsmakers verwarren doel en middel. Het doel van taalonderwijs is niet om midden tijdens iemands betoog uit te roepen: hé, ‘je’ is een meerwerkend voorwerp! Expliciet - en dus cognitief- taalonderwijs is wel een middel tot een rijke taalvaardigheid. Al sinds het VSO, nadien veralgemeend opgedrongen in de zogenaamde eenheidsstructuur, stelt men in het taalonderwijs kennis en vaardigheden als twee vijandige polen tegenover elkaar. Zo heeft men het kind met het badwater weggegooid. Twintig jaar geleden kreeg ik als jonge leraar inspectie na een lesbezoek van de inspecteur de verwijtende vraag: kennis, waartoe leidt dat? Het antwoord is duidelijk. Zonder taalkennis kom je niet tot taalvaardigheid. Maar zo had die inspecteur dat toen niet gezien ...

Vandaag plukken we de “vruchten” van dit beleid. De taalonzekerheid van onze jongeren is toegenomen. Dat heeft verschillende oorzaken:

- Ze bezitten geen basiskennis van grammatica meer. Het weinige wat ze wel gekregen hebben, passen ze dan nog vaak verkeerd toe. In Deze tekst heeft Piet nog niet gelezen duiden velen deze tekst als onderwerp aan, want het staat toch vooraan! Als ze met dat zinnetje nadien in het Duits aan de slag moeten, kiezen ze voor de verkeerde naamval.

- In een school als de onze, waar je per klas makkelijk met 5 tot 6 verschillende oorsprongstalen geconfronteerd wordt, is het Nederlands in de feiten vaak een vreemde taal. Dat hoeft geen onoverkomelijk probleem te zijn als je een expliciet cognitief referentiekader ter beschikking hebt, maar dat ontbreekt precies.

- Onze maatschappij straalt een toenemende taalslordigheid uit. Steeds meer horen we op tv kromtaal. En wat te denken van die pedagogische begeleider Nederlands die ooit vond dat we in onze lessen turbotaal moesten aanmoedigen?

- Communicatie verloopt steeds sneller, zodat taalgebruikers steeds minder tijd nemen om hun taaluitingen op fouten te controleren.

Ik stel vast dat ik mijn leerdoelen in de derde graad niet volledig kan bereiken omdat ik zou moeten kunnen voortbouwen op een grammaticakennis die ontbreekt. Dat is ontzettend jammer voor de jongeren aan wie ik les geef. We hebben bij hen welgeteld één kans om het goed te doen en het taalonderwijs, zoals ons dat opgelegd wordt, vormt daarbij een grote handicap. De verantwoordelijkheid van de beleidsmakers kan daar moeilijk overschat worden. Maar onze jongeren zijn wel het slachtoffer.

Peter Meukens is leraar Duits en zakelijke communicatie Nederlands in het ASO en het handelsonderwijs.