De mammoet, een van de grootste zoogdieren die ooit op de Aarde rondliep, stierf niet uit door de schuld van jagers, zoals vaak wordt gedacht. Volgens de Sunday Telegraph stierven de reusachtige dieren in werkelijkheid uit door de opmars van de bossen.
Aan het einde van de laatste IJstijd, zo'n 10.000 jaar geleden, maakten de bevroren graslanden waarop de mammoets graasden geleidelijk aan plaats voor bossen zodat de wollige reuzen zich niet meer konden voeden, aldus professor Adrian Lister, een paleobioloog die is verbonden aan het Londense University College en die wordt beschouwd als een van de topexperts over de IJstijd.

Lister leidt dit volgens de Britse zondagskrant at af uit DNA-onderzoek op honderden fossielen. Daaruit blijkt dat de genetische verschillen tussen de individuele mammoets zo klein waren, dat de dieren niet in staat waren zich aan te passen aan de veranderde omstandigheden.

Tijdens een bijeenkomst van het Paleontolologisch Genootschap, die deze week in Zweden begint, zal hij brandhout maken van bestaande theorieën die ofwel té doeltreffende jagers, ofwel de stijgende temperaturen op zichzelf als oorzaak aangeven voor het verdwijnen van de mammoet.

"Halfweg de laatste IJstijd, zo'n 30.000 jaar geleden, waren er op Aarde miljoenen mammoets, die zo'n zeven miljoen jaar eerder in tropisch Afrika ontstonden, naar noordelijke streken trokken en zich daar perfect aanpasten aan de koude. Maar zo'n 20.000 jaar later waren ze vrijwel volledig van de aardbodem verdwenen. Want naarmate grotere delen van het aardoppervlak werden bedekt door bossen, werd de mammoet verdreven uit zijn vertrouwde habitat. Omdat ze zich wel konden aanpassen aan klimaatsveranderingen, maar niet aan een andere vegetatie", zo citeerde de Sunday Telegraph de wetenschapper.